‘In een hennenhok is slechts één haan’ En in Antwerpen zijn er twee.

In de Koningin Fabiolazaal kan je dit najaar De Modernen. Kunst in de Groote Oorlog bezoeken. Met die expo tonen het KMSKA, De Provincie Antwerpen, het Letterenhuis en het Provinciaal Museum Emile Verhaeren hoe de schok van WOI voelbaar is in de kunst en de literatuur uit die periode. Medewerkers van de verschillende instellingen lichten op deze blog geregeld een aspect van de tentoonstelling uit. Curator Nanny Schrijvers gaat deze week dieper op de kunstenaarsgeneratie die tijdens de oorlogsjaren in Antwerpen werkzaam was.

Tijdens de oorlogsjaren is er in Antwerpen een jonge kunstenaarsgeneratie, nog op de academie of net niet meer, vol plannen en energie.  Jozef Peeters (Antwerpen 1895 – Antwerpen 1960) had al eerder, in 1912, een atelier gehuurd boven café De Zalm in de Wijngaardstraat samen met Edmond Van Dooren (Antwerpen 1896 – Antwerpen 1965). Ook Paul Joostens (Antwerpen 1889 – Antwerpen 1960) en Jan Kiemeneij (Antwerpen 1889 – Antwerpen 1981) werken in dit atelier. Peeters ziet toekomst in de vrije expressie. Zijn eerste schilderijen volgden het traditionele luminisme, maar al gauw, en hij is niet de enige, wordt een symbolistische koers gevaren met sympathie voor de theosofie.

Peeters is geen kunstenaar die in z’n eentje op een zolderkamer zit. Hij wil met en voor andere kunstenaars theorieën en programma’s uitwerken over kunst en samenleving. Daarbij is de rol van de toegepaste kunsten, zoals typografie, van groot belang.  Bijzonder is hoe hij heel snel een internationaal netwerk opbouwt. Nog tijdens de oorlog sticht hij, op 14 september 1918, de Kring Moderne Kunst.

In datzelfde huis in de Wijngaardstraat heeft ook Floris Jespers een atelier. Contacten met de broers Jespers en bij uitbreiding met Paul Van Ostaijen  (Antwerpen 1896 – Miavoye 1928) liggen voor de hand en na een tijdje worden ze ook lid van de Kring. Overigens vindt Van Ostaijen dat Oscar Jespers (Borgerhout 1887 – Sint-Lambrechts-Woluwe 1970) directeur moet worden. Peeters is daarmee niet gediend. Inhoudelijk zitten ze niet op dezelfde lijn: Peeters wijst elke vorm van expressionisme af en kiest voor ‘geometrische figuren, zonder enige inmenging van literaire noch symbolische inhoud’.

Eerste Kongres voor Moderne Kunst

Jos Leonard, ca. 1911 (Collectie Letterenhuis)

Jos Leonard, ca. 1911 (Collectie Letterenhuis)

Ook na de oorlog zijn pamfletten, tijdschriften, manifesten en correspondenties nog steeds heel belangrijk, zo niet nog belangrijker. Individuele kunstenaars groeperen zich en onderschrijven theorieën, manifesten en zoeken overal gelijkgestemden, ook in het buitenland. Jozef Peeters onderhoudt contacten over heel Europa en organiseert op 10 en 11 oktober 1920 een eerste Kongres voor Moderne Kunst, samen met de schilder Jos Leonard (Antwerpen 1892 – Elsene 1957) en de architect Huib Hoste (Brugge 1881 – Hove 1957). Een jaar later maakt hij een rondreis in Frankrijk om kunstenaars uit te nodigen voor zijn tweede congres in januari 1922. Ondertussen, in december 1921,  publiceert hij ‘Gemeenschapskunst’ in Het Overzicht, een in oorsprong literair tijdschrift, dat onder zijn impuls steeds meer aandacht zal besteden aan de beeldende kunst, en meer speciaal aan het constructivisme.

De Driehoek

Paul van Ostaijen en Jozef Peeters, 1925 (Collectie Letterenhuis)

Paul van Ostaijen en Jozef Peeters bij de oprichting van De Driehoek, 1925 (Collectie Letterenhuis)

In februari 1925 sticht Jozef Peeters samen met Duco Perkens, of Eddy du Perron (Jakarta 1899 – Bergen NL 1940) nog maar eens een tijdschrift: De Driehoek. Paul van Ostaijen is aanwezig en hij heeft al op 20 februari een artikel klaar. Later laat hij weten dat Floris Jespers (Borgerhout 1889 – Antwerpen 1965) en zijn broer Oscar ook willen meewerken. Jozef Peeters gaat hier niet mee akkoord en op 21 maart schrijft Paul van Ostaijen:

“Maar ook trek ik mij terug omdat ik toch zeer duidelik voel dat ik in ‘De Driehoek’ niets zou te vertellen hebben; namelik in de redaktie. Gij zijt de leider. In een hennenhok is slechts één haan. Dat is juist. De tweede haan stapt het af’.”

Meer lezen

Catalogus Avant-garde in België, 1917-1929 bij de tentoonstellingen in Brussel, KMSKB en Antwerpen, KMSKA, 1992

Met de Vrienden naar het Mauritshuis

De Vrienden van het KMSKA gaan geregeld op uitstap naar tentoonstellingen en musea in binnen- en buitenland. Onlangs trokken ze naar Den Haag voor een stadswandeling en een bezoek aan het pas gerenoveerde Mauritshuis. Carl Van Tichelen is sinds jaar en dag vriend van het KMSKA. Hij maakte een reisverslag.

Het bezoek van de Vrienden van het KMSKA aan Den Haag startte met een stadswandeling-met-gids in de zonovergoten “koninklijke stad aan de zee”. Den Haag is de stad met de meeste bezienswaardigheden per vierkante meter in Nederland. Het spreekt voor zich dat er daarom een keuze moest gemaakt worden. Bovendien was het ook nog eens Open Monumentendag tijdens ons bezoek en stonden er lange rijen wachtenden aan de opengestelde gebouwen. Hoewel Den Haag bekend staat als het mekka voor de meer ‘bekakte’ Hollanders flaneerden er door de straten verschillende  in historische klederdracht uitgedoste families, die elke toerist vriendelijk welkom heetten. De stad was ook al in oranjestemming voor Prinsjesdag, enkele dagen later.

Op naar het Mauritshuis

Vermeers 'Meisje met de parel' in het Mauritshuis

Vermeers ‘Meisje met de parel’ in het Mauritshuis

Zoals alle bekende musea werd het Mauritshuis van 2012 tot 2014 onderworpen aan een grondige renovatie die het museum moet binnenloodsen in de 21ste eeuw. De toegang gebeurt nu via de moderne ondergrondse foyer, die een verbinding vormt met het Art Decogebouw aan de overzijde van de straat. De eigenlijke museumzalen bevinden zich nog steeds op de eerste en tweede verdieping, en hebben hun intieme sfeer behouden. Voor wie geïnteresseerd is in de bouwkundige aspecten loopt er tot 4 januari 2015 een kleine tentoonstelling Mauritshuis – Het Gebouw die meer vertelt over de bouw en de bewoners van dit bekende classicistische gebouw, dat op last van Johan Maurits, graaf van Nassau-Siegen tussen 1633 en 1644 door de befaamde architect Jacob van Campen werd gebouwd.

Als museum opende het Mauritshuis zijn deuren op 1 januari 1822. Het bood onderdak aan de Koninklijke Kabinetten van Schilderijen en Zeldzaamheden. De collectie van het Mauritshuis gaat terug op de verzameling van twee Oranjeprinsen, Willem IV van Oranje, en zijn zoon Willem V. Die laatste zorgde ervoor dat de collectie van toen 200 schilderijen  al in 1774 op vaste tijden werd geopend voor het publiek. Zo werd het Mauritshuis de eerste openbaar toegankelijke kunstcollectie in Nederland, een mijlpaal in de Nederlandse museumgeschiedenis. In 1795 brachten de Franse veroveraars de hele verzameling over naar het Louvre in Parijs. Na de slag bij Waterloo keerden de meeste werken terug naar Nederland. Koning Willem I droeg de hele verzameling over aan de Nederlandse staat. Er werd er een bijzonder actief aanwinstenbeleid gevoerd, waardoor het Mauritshuis vandaag beschikt over het beste van de 17e-eeuwse schilderkunst van de Noordelijke en de Zuidelijke Nederlanden. Daar horen de allergrootste meesters bij, maar er is ook oog voor aantrekkelijke werken van minder bekende kunstenaars uit die periode.

De Hollandse Mona Lisa

De grote publiekstrekker in het Maurtishuis is natuurlijk de Hollandse Mona Lisa in de gedaante van Vermeers Meisje met de parel. Maar er zijn ook tal van andere overbekende meesterwerken te zien: Vermeers Gezicht op Delft, Rembrandts Anatomische les van Dr. Nicolaes Tulp, Carel Fabritius’ Het puttertje en Paulus Potters De Stier. Daarnaast verdienen ook enkele belangrijke werken van Memling, Van der Weyden en Holbein bijzondere aandacht. Op de website van het museum kan je ze allemaal bekijken.

Ieder zichzelf respecterend museum heeft nood aan sponsors. Het Mauritshuis vormt hierop geen uitzondering. De verzameling ging van start dankzij de prinsen van Oranje, werd uitgebreid door belangrijke aankopen van koning Willem I en de beroemde museumdirecteur Abraham Bredius, een man die zijn privévermogen gebruikte om ‘zijn’ Mauritshuis een aantal meesterwerken te schenken. Ook het legaat van Arnoldus des Tombe verdient een bijzondere vermelding: dat zorgde namelijk voor de verwerving van het fameuze Meisje met de parel. Ook vandaag nog wordt een beleid gevoerd om de zwaartepunten van de verzameling te versterken en lacunes op te vullen. De Vereniging Rembrandt, de BankGiro Loterij, de Stichting Vrienden van het Mauritshuis zijn hierbij van het grootste belang. Bij periodieke schenkingen gedurende ten minste 5 jaar geldt voor individuele schenkers de “Geefwet”. Bij een schenking van €1000 betaalt de Nederlandse fiscus €650 terug, zodat je gift je eigenlijk maar €350 kost. Waarom bestaat een dergelijke regeling niet bij ons? En geloof het of niet, maar ook vrijwilligers spelen een belangrijke rol in het Mauritshuis: zij bemannen de infobalie en de museumshop.

Nog een belangrijk weetje: van 5 februari tot 10 mei 2015 zijn in het Mauritshuis 36 werken uit de befaamde New Yorkse Frick Collection te zien. Niet te missen !

The Sound of Rubens deel 2: Macht

EEN SOUNDTRACK BIJ DE TENTOONSTELLING SENSATIE & SENSUALITEIT

 

De tentoonstelling Sensatie en Sensualiteit deelt de artistieke erfenis van Peter Paul Rubens op in zes thema’s: geweld, macht, lust, compassie, elegantie en poëzie. Curator Nico Van Hout ging voor elk van die thema’s op zoek naar verbanden tussen werk van Rubens en de vele kunstenaars die na hem kwamen. In de aanloop naar de tentoonstelling maakte hij bovendien een selectie van muziek en filmpjes die aansluiten bij de verschillende hoofdstukken die in de expo aan bod komen. De komende weken stelt hij ze met plezier aan je voor.

Peter Paul Rubens, Schets voor De kroning van de koningin in Saint-Denis, State Hermitage Museum, St. Petersburg

Peter Paul Rubens, Schets voor De kroning van de koningin in Saint-Denis, State Hermitage Museum, St. Petersburg

Voor het hoofdstuk Macht koppelt hij Rubens’ schets voor De kroning van de koningin in Saint-Denis uit de collectie van het Hermitage in Sint-Petersburg aan de polyfonische gezangen in Messe de marriage de Henri IV et Marie de Médicis, A la Royne, ninfe qui tient tant d’heur van de Franse renaissancecomponist Eustache du Caurroy.

“Ninfe qui tient tant d’heur, que de joindre à la France ta grandeur,
Et d’un Roy valeureux prendre le joug amoureux:
Quel paresseux demon te reticent à Florence si long temps,
Sur le sablon toscan, loin de ton astre nouveau?
Viens combler de faveur notre Mars, qui s’avance devant toy:
O! quelle troupe de Dieux et de Déesses t’attend. Les forts vents de mer bientôt sur l’onde paroistront,

Déjà la Brume revient, qui nous allonge la nuit.
Pousse la barque Hymenée nocier, ne retarde ce festin:
D’un naturel flambeau brusle l’Amante et l’Amant,
Entre la guerre et la paix que la France ait laissé de chanter:
O Hymenée, Hymenée o Hymenée d’Amour.”

Daarnaast doen ook Symfonie nr.14, III, Loreley van Dmitri Shostakovich en Love and Marriage van “Ol’ Blue Eyes” Frank Sinatra hem aan kunstwerken in dit tentoonstellingshoofdstuk denken.


#TheSoundOfRubens

De komende weken maken we op Spotify een afspeellijst met muziek die aan de verschillende thema’s en kunstwerken in de expo gekoppeld kan worden. Heb jij Sensatie en Sensualiteit bezocht en begon je daarbij quasi instinctief een nummer van Bach, Beethoven of Bruce Springsteen te neuriën? Laat het ons weten via facebook, twitter, of als reactie op dit blogbericht! Dan vullen we onze afspeellijst verder aan.

 

“Nu ligt ons dierbaar, ons wonderschoon Antwerpen uitgestorven”

In de Koningin Fabiolazaal kan je dit najaar De Modernen. Kunst in de Groote Oorlog bezoeken. Met die expo tonen het KMSKA, De Provincie Antwerpen, het Letterenhuis en het Provinciaal Museum Emile Verhaeren hoe de schok van WOI voelbaar is in de kunst en de literatuur uit die periode. Medewerkers van de verschillende instellingen lichten op deze blog geregeld een aspect van de tentoonstelling uit. Birgit Leenknegt is vrijwilliger in het Letterenhuis. Ze beschrijft hoe kunstcriticus en schrijver André de Ridder WO I beleefde.

Foto André de Ridder, Amsterdam (1918) - Collectie Letterenhuis

Foto André de Ridder, Amsterdam (1918) – Collectie Letterenhuis

In het oorlogsjaar 1916 verschenen de in boekvorm uitgegeven oorlogsenquêtes van Henri Habert (letterkundige en Belgisch medewerker van de Telegraaf): En Hollande pendant la guerre. Daarin beschrijft kunstcriticus en schrijver André de Ridder (1888-1961) zijn indrukken over Amsterdam en andere Nederlandse steden. Na de Duitse inname van Antwerpen in oktober 1914 was de Ridder namelijk naar het neutrale Nederland gevlucht. Hij spreekt met lovende woorden over de culturele en literaire ontwikkelingen in de Nederlandse hoofdstad.

Ik houd eraan te zeggen hoe uitstekend het onderwijs hier ingericht is […], hoe levendig de weetgierigheid en de leerplicht in ’t algemeen, de belangstelling van het publiek voor de literatuur, toneel en kunst is, hoe de toneelkunst […] superieur wordt beoefend.

Het groote drama

Toch kan hij zijn geliefde stad Antwerpen niet vergeten. Uit de brieven van zijn vader verneemt André de Ridder meer over de erbarmelijke leefomstandigheden waarin de Antwerpenaren leven.

“Wat droeve dagen, geen mensch was er op straat te zien, ge kunt wel denken dat het in de cafés nog minder was. Enkel de cinemas die slikken al het volk.”

- Brief van Frans de Ridder aan André de Ridder, 6 november 1915.

De vader van André is eigenaar van het ondertussen verdwenen Hôtel du Progrès, op de De Keyserlei 61 in Antwerpen en ondervindt aan den lijve de gevolgen van de oorlog:

“Verder niets nieuws bij ons, dan dat de zaken slechter en slechter worden.”

- Brief van Frans de Ridder aan André de Ridder, 25 oktober 1915.

“[…] de prijzen in alles wat eten en kleersel betreft, André dat is ongeloofelijk, zij zeker dat ik haast beschaamd wordt te zeggen Belg of Antwerpenaar te zijn.”

- Brief van Frans de Ridder aan André de Ridder, 13 december 1917.

Deze droevige berichtgevingen laten de Ridder niet los, en komen herhaaldelijk terug in zijn rubrieken uit De Vlaamsche Stem, een Vlaams dagblad dat in Amsterdam werd uitgegeven tussen februari 1915 en februari 1916. Op 5 februari 1915 staat in die krant een verslag van zijn hand over het toneelstuk De Opgaande Zon door Herman Heijermans.

“Hoe dikwijls is die Opgaande Zon, in Antwerpen ook, gerezen … en al die bekende figuren achter het voetlicht […] de beste elementen van ons Antwerpsch tooneelgezelschap … niet zonder weemoed zag ik ze terug … Hoe ver liggen achter ons de vele genoegelijke avonden in onzen Vlaamschen Schouwburg, op de Gemeenteplaats, gesleten … Nu ligt ons dierbaar, ons wonderschoon Antwerpen uitgestorven … en wie denkt dáár nu aan tooneel?”

- Ridder, A. de. ‘Toneel’. Uit: De Vlaamsche Stem. Vrijdag 5 februari 1915.

Twee weken later verschijnt het artikel De ‘psyche’ van den vluchteling in De Vlaamsche Stem waarin de Ridder de vluchtelingenstroom van in en rond Antwerpen beschrijft. Hij schetst de exodus naar Antwerpen, en na de val van Antwerpen, naar Nederland.

“Ik heb er veel gezien, van die vluchtelingen. Eerst te Antwerpen zelf, waar al de verdrevenen van het onversterkt gedeelte van het land, in groote, zwarte drommen, kwamen schuilen achter de zware wallen van de Scheldestad.”

De Ridder heeft hierbij bijzondere aandacht voor het verdriet en lijden van de vluchtelingen:

“De eindeloze stoeten van armoe en lijden, van nameloos wee, van pijn in versleeten kleederen en gapende schoenen, van ellende onder alle vormen.[…] En dan volgde de val van Antwerpen, de grootste vlucht: de reusachtige bevolking van de Scheldestad zelf en de overgroote massa die er voorheen bescherming had gezocht, die nu tesamen, met honderdduizenden menschen, het pad van de ballingschap op moesten … Dat groote drama, die ontzaggelijke tragedie zal ik nooit vergeten: die uittocht van duizenden en nog eens duizenden krioelende menschen door de velden, over al de banen en wegen en langs de weggetjes van het land en door de bosschen.”

Belgische steuntentoonstelling

Krantenartikel ‘Belgische Steuntentoonstelling’ in De Tijd, vrijdag 5 mei 1916.’

Krantenartikel ‘Belgische Steuntentoonstelling’ in De Tijd, vrijdag 5 mei 1916.’

André de Ridder heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan de artistieke ontwikkeling van Belgische gevluchte kunstenaars in Nederland tijdens de Eerste Wereldoorlog. Hij was gedurende de oorlogsjaren een steunpilaar voor heel wat Vlaamse kunstenaars. Zo introduceerde hij Gustave De Smet en Frits Van den Berghe in het Amsterdamse artistieke milieu, waar de modernistische stromingen als het fauvisme, het futurisme, het kubisme en het expressionisme opgang maakten. Dankzij de inspanningen van de Ridder konden beide kunstenaars in 1916 hun werken tentoonstellen in kunstzaal Heystee in de Herengracht in Amsterdam. De opbrengst van de expositie werd geschonken aan Belgische liefdadigheidsinstellingen zoals het Belgische Rode Kruis, the Commission for relief in Belgium en de Belgische weldadigheidskring van Amsterdam.

In Amsterdam wordt de Ridder geprikkeld door de Europese modernistische stromingen, maar toch kan hij zijn geliefde Scheldestad niet loslaten. Met weemoed kijkt hij terug op de artistieke en literaire bloeiperiode van Vlaanderen, en hoopt deze na de oorlog te kunnen herstellen door inbreng van vernieuwende, buitenlandse kunststromingen.

Birgit LEENKNEGT

Lezing: André De Ridder en de Groote Oorlog

OP ZONDAG 7 december GEEFT Manu van der Aa EEN LEZING over André De ridder IN HET LETTERENHUIS. JE KAN DE LEZINGEN GRATIS BIJWONEN. RESERVEREN IS AANGERADEN EN KAN VIA LETTERENHUIS@STAD.ANTWERPEN.BE OF T 03 222 93 20

The Sound of Rubens

 een Soundtrack bij de tentoonstelling Sensatie & Sensualiteit

De tentoonstelling Sensatie en Sensualiteit deelt de artistieke erfenis van Peter Paul Rubens op in zes thema’s: geweld, macht, lust, compassie, elegantie en poëzie. Curator Nico Van Hout ging voor elk van die thema’s op zoek naar verbanden tussen werk van Rubens en de vele kunstenaars die na hem kwamen.

In de aanloop naar de tentoonstelling  maakte hij bovendien een selectie van muziek en filmpjes die aansluiten bij de verschillende hoofdstukken die in de expo aan bod komen. De komende weken stelt hij ze met plezier aan je voor.

Arnold Böcklin, Het gevecht op de brug, 1892, privécollectie – in bruikleen aan het Kunsthaus Zürich

Arnold Böcklin, Het gevecht op de brug, 1892, privécollectie – in bruikleen aan het Kunsthaus Zürich

Voor het eerste hoofdstuk Geweld haalt Van Hout meteen het grote geschut boven. Hij  plaatst Het gevecht op de brug van Arnold Böcklin naast de Skythische suite van Sergei Prokofiev.

 

#TheSoundOfRubens

De komende weken maken we op Spotify een afspeellijst met muziek die aan de verschillende thema’s en kunstwerken in de expo gekoppeld kan worden. Heb jij Sensatie en Sensualiteit bezocht en begon je daarbij quasi instinctief een nummer van Bach, Beethoven of Bruce Springsteen te neuriën? Laat het ons weten via facebook, twitter, of als reactie op dit blogbericht! Dan vullen we onze afspeellijst verder aan.

De Groote Oorlog van de broers Karel van de Woestijne (de dichter) en Gustave Van de Woestyne (de schilder)

In de Koningin Fabiolazaal kan je dit najaar De Modernen. Kunst in de Groote Oorlog bezoeken. Met die expo tonen het KMSKA, De Provincie Antwerpen, het Letterenhuis en het Provinciaal Museum Emile Verhaeren hoe de schok van WOI voelbaar is in de kunst en de literatuur uit die periode. Medewerkers van de verschillende instellingen lichten op deze blog geregeld een aspect van de tentoonstelling uit. Deze week bekijkt KMSKA-curator Nanny Schrijvers hoe Karel van de Woestijne en zijn broer Gustave de oorlog, elk op geheel eigen wijze, beleefden.

Gustave Van de Woestyne, De slapers, KMSKA

Het echtpaar De Graaff-Bachiene koopt ‘De slapers’ van Gustave Van de Woestyne in Londen. In 1949 schenkt Louise De Graaff-Bachiene het werk aan het KMSKA.

Hoe komen kunstenaars de oorlog door? En wat betekent dit voor hun werk? Blijven ze of gaan ze op de vlucht? In de verschillende verhalen die in De Modernen. Kunst in de Groote Oorlog getoond worden, valt op dat kunstenaars zich inspannen om vooroorlogse banden te onderhouden – ook internationaal en over het front heen. Bovendien ontstaan er ook nieuwe contacten en mogelijkheden. Wellicht soms uit noodzaak maar niettemin vruchtbaar en vaak verrassend.

“… In den vreemden winter van dit wondere jaar, dat één der schoonste zomers als het ware stuk zag schieten…”

Zo begint Karel van de Woestijne, de dichter, 36 jaar, op 17 november 1914 zijn Dagboek van den oorlog dat hij voor de Nieuwe Rotterdamsche Courant schreef. Hij heeft het verder over de sneeuw, helder weer en de Brusselse haven die hem doet denken aan een landschap van Patinir. Maar wat hem bijzonder blij maakt is dat er zoveel boten liggen. Allemaal met een Hollandse vlag, die “flapperend-wapperend” danst onder de hoede van de Amerikaanse Commission for Relief in Belgium. Die bezorgt graan en proviand aan de hongerige Brusselse bevolking. Zijn jongere broer Gustave Van de Woestyne, de schilder, 33 jaar, vertrekt naar Groot-Brittannië. Karel blijft tijdens de oorlog in Brussel. Maar zijn werk wordt eveneens in Engeland gelezen. Op 17 juni 1917 staat er in de Nederlandse krant De Tijd:

“Eigenaardig is hierbij om op te merken, dat ons uit Engeland wordt toegezonden een keurboekje Vlaamsche poezie in ’t Engelsch vertaald. In de inleiding wordt gulweg erkend, dat men van de Vlaamsche kunst dezer dagen nog minder afwist dan van de Chineesche literatuur, ofschoon zo vlakbij zulke heerlijke taalkunst bloeide…”

Jozef Cantré, De dichter Karel van de Woestyne, KMSKA

Jozef Cantré, De dichter Karel van de Woestyne, KMSKA

Met dank aan de familie Davies

Meer dan honderdduizend vluchtelingen komen in Groot-Brittannië terecht. In september 1914 wordt een Committee for the Relief of Belgian Refugees opgericht om de hulp centraal te organiseren. In steden en regio’s regelen subcomités de verdere opvang of steun. In Wales is er bijvoorbeeld een dorp dat gratis kruidenierswaren verstrekt, kranten die een column in het Nederlands publiceren over de toestand in België en een welgestelde familie die zelf het initiatief neemt om België bij te staan. De familie Davies stuurt onder andere een delegatie naar ons land om mensen uit te nodigen naar Wales te komen. Onder hen ook een aantal kunstenaars. De dochter van de beeldhouwer George Minne zegt hierover:

“Op een namiddag spraken mijn vader, Valerius De Saedeleer en Gustave Van de Woestyne met de heer en mevrouw Petrucci uit Brussel. Die vertelden dat Dr. Polderman, een professor uit Cardiff, fantastisch nieuws had:  mevrouw Davies en haar dochters, Gwen en Daisy (Margaret), wilden kunstenaars en hun familie uitnodigen naar Wales, waar ze niet alleen konden verder schilderen maar ook hun specifiek talent zouden kunnen overbrengen op de kunstenaars aldaar.”

In de The Welsh Outlook van november 1914 staat dat nergens in het Verenigd Koninkrijk, Londen uitgezonderd, zoveel belangrijke Belgen wonen: Emile Verhaeren in Llwynarthan, Emile Claus in Barry, Valerius De Saedeleer en Gustave Van de Woestyne in Aberystwyth,… Vervolgens beschrijft het artikel in kwestie de ‘betreurenswaardige achterstand van de beeldende kunsten in Wales’ en uit het de hoop dat de komst van zoveel talent een impuls kan geven aan de academies en hun studenten.

Voor Gustave Van de Woestyne en de andere kunstenaars is hun verblijf in Wales ook een unieke kans om de indrukwekkende collectie van de zusters Davies te leren kennen. Zij verzamelen vanaf het begin van de 20ste eeuw negentiende-eeuwse kunst en sinds 1912 speciaal het Franse impressionisme en postimpressionisme. Zelfs tijdens de oorlog gaan ze, actief betrokken bij missies van het Rode Kruis, geregeld naar Frankrijk en kopen ze tussendoor werk van Daumier, Renoir, Monet, Cézanne en Pissarro. Hun collectie –  ruim 260 stuks – wordt bewaard in The National Museum of Wales in Cardiff.

Hippolyte Daeye, Sereniteit, KMSKA

Hippolyte Daeye maakte dit schilderij nadat hij in Londen het werk van Amedeo Modigliani zag.

Het zijn niet alleen de gezusters Davies die Gustave Van de Woestyne bijstaan. In Londen komt hij in contact met de Nederlandse verzamelaars Jacob de Graaff en zijn vrouw Louise Bachiene. Hun eerste ontmoeting is puur toeval. Jacob de Graaff vertelt:

“Op een dag in 1915 toen ik de National Gallery bezocht, ontmoette ik mijn eerste Belgische kunstenaars. Zij waren gedrieën: Hippolyte Daeye, Leon De Smet en Gustave Van de Woestyne, die scherp over een schilderij van Alfred Stevens discussieerden. Daar zij het in het geheel niet waardeerden en ik het erg goed vond, kwam ik naderbij en informeerde beleefd naar hun redenen. ‘Het is oude schilderkunst, tegenwoordig moet men modern zijn’, zeiden zij in hoofdzaak, ‘wij spreken met U af dat U naar onze expositie komt kijken.’ Enige dagen daarna exposeerden zij in een Londense galerie. Daar kocht ik mijn eerste Belgische schilderijen. Sedertdien ben ik verder gegaan.”

Het echtpaar koopt inderdaad geregeld werk van Van de Woestyne. Zo ook De slapers, een schilderij dat mevrouw Louise De Graaff-Bachiene in 1949 aan het KMSKA schenkt.

Nanny Schrijvers

Meer weten:

  • The Davies Sisters collection
  • Tentoonstellingscatalogus, De collectie De Graaff-Bachiene, Hannema-de Stuers Fundatie, Heino/ Wijhe, Museum voor Schone Kunsten, Gent,  cat.1992

Lezing: Beeldende kunst, avant-garde en exil

Op zondag 12 oktober geeft Nanny Schrijvers een lezing in het Letterenhuis. Ze gaat daarbij dieper in op kunstenaars die in oorlogstijd het land verlieten. Je kan de lezingen gratis bijwonen. Reserveren is aangeraden en kan via letterenhuis@stad.antwerpen.be of T 03 222 93 20

 

Bezoek de expo dit weekend gratis met een ticket voor de Pontonbrug

Van 3 tot 5 oktober kan je in Antwerpen de oversteek van rechter- naar linkeroever maken op de pontonbrug die dat weekend op de Schelde ligt. De pontonbrug is hét hoogtepunt van de herdenkingsactiviteiten voor WOI. Met een ticket voor de pontonbrug kan je gedurende het pontonweekend gratis een bezoek brengen aan de expo.

“Ingelijst achter glas zal het schilderij volledig tot zijn recht komen”

Dankzij de briefwisseling van James Ensor kunnen de onderzoekers van het Ensor Research Project veel te weten komen over de artistieke keuzes van de kunstenaar.

Ensor bij de piano in zijn atelier – 22 juni 1937 (detail)een achter glas ingelijst werk achter het hoofd van de kunstenaar.

Ensor bij de piano in zijn atelier – 22 juni 1937 (detail) een achter glas ingelijst werk achter het hoofd van de kunstenaar.

Om schilderijen te beschermen worden ze soms achter glas ingelijst. Dat kan een restaurator ook toelaten om een schilderij niet van een vernislaag te voorzien. Daarvoor zouden esthetische en historische argumenten kunnen worden aangehaald. Ensor heeft zich in zijn briefwisseling wel eens uitgesproken over het effect van schilderijen achter glas. Hij vond het effect van spiegelend glas af en toe wel interessant. Zo schrijft hij aan de Antwerpse verzamelaar Cleomir Jussiant:

“Ingelijst achter glas zal het schilderij volledig tot zijn recht komen.”

Op sommige foto’s van kamers in Ensors tweede woning in de Vlaanderenstraat (het huidige Ensormuseum) kunnen we duidelijk kunstwerken aanwijzen die achter glas zijn ingelijst.

In zijn artikel voor het Ensor Research Project gaat Dr. Herwig Todts hier verder op in.