Portret Manfred Sellink, foto: Marcel Lennartz
Interview, Zaal Z

Het nieuwe KMSKA

Manfred Sellink is sinds een goed jaar hoofddirecteur van het KMSKA. Het was een intens jaar, waarin onder meer de visie van het museum vorm kreeg. Een gesprek over de toekomst. En de traditie. In primeur.

Gesprek door Elise Gacoms en Patrick De Rynck

Dit is de neerslag van het interview met Manfred Sellink. De gedrukte versie in het lentenummer van ZAAL Z is de ingekorte versie.

Wat doet een gesloten museum dat pas in 2019 weer opengaat? Werken aan zijn missie en visie, onder veel meer. Je kunt dat het DNA van het museum noemen. Of het fundament waarop het ‘gebouw’ wordt opgetrokken. Of de principes voor de werking in de komende jaren. Die worden straks ingevuld met doelstellingen en concrete acties.

We spraken mekaar vorig jaar toen u pas directeur was geworden. Hoe heeft u dat jaar beleefd?

De tentoonstelling Kleur ontketend in het Gemeentemuseum Den Haas was een samenwerking met het KMSKA

De tentoonstelling Kleur ontketend in het Gemeentemuseum Den Haas was een samenwerking met het KMSKA

Manfred Sellink: “Zeer intensief. Er is voor en achter de schermen een heleboel gebeurd, ondanks de sluiting. Zo hadden we heel veel activiteiten, waaronder tentoonstellingen op diverse locaties in het kader van Dicht maar dichtbij. Maar ik denk bijvoorbeeld ook aan Kleur ontketend in het Gemeentemuseum Den Haag, waar we aan meewerkten. Of aan Rubens in de Royal Academy in Londen. Tegelijk moest ik de organisatie van binnenuit leren kennen, wat ook tijd kost. Denk maar aan het masterplan voor de verbouwing en nieuwbouw. We hebben daarnaast allerlei interne werkgroepen opgestart: om de visie en toekomstdromen uit te werken, ambities te formuleren, na te denken over de herinrichting… Het jaar is omgevlogen. Het was inspirerend en intens.”

Waar het voor de buitenwacht dan weer stil rond is: de verbouwing. Die verloopt merkwaardig geruisloos. U kent de klassieke vragen: verloopt alles zoals gepland? En binnen het vooropgestelde budget?

“Ja, we zijn op dit moment binnen tijd en binnen het budget dat we met onze overheid overeengekomen zijn. Het frustrerende van een verbouwing als de onze is dat ze zich grotendeels achter de gevel afspeelt, inclusief de nieuwbouw. Het lijkt alleen maar alsof er niets gebeurt. Toen ik in het museum aankwam, was de eerste fase afgesloten: het saneren, het weghalen van het asbest… Nu zitten we in de fase van de opbouw. Dat leek in eerste instantie weinig te vorderen, maar sinds de zomer zie je nu wekelijks de vooruitgang. Het nieuwe museum is aan het verrijzen: vloeren, wanden, staalstructuren, trappen worden zichtbaar. Dat is een heel mooie fase. En we zitten op schema. Dat schema is relatief krap en de hele onderneming is complex, maar tot nu toe verloopt alles goed. We zitten met alle betrokkenen op één en dezelfde lijn.”

 

De staalstructuur in één van de patio's van onderuit gefotografeerd. Foto: Karin Borghouts

De staalstructuur in één van de patio’s van onderuit gefotografeerd. Foto: Karin Borghouts

Maatschappelijke verantwoordelijkheid

Het KMSKA wil in zijn hele werking hét museale referentiepunt in en van Vlaanderen worden, zegt de missie. U wil de identiteit van de samenleving mee bepalen, mensen uitdagen tot zelfreflectie en herbronning, zorgen voor ontmoeting en dialoog, jaarlijks minimaal 300.000 bezoekers aantrekken en doorgroeien naar een half miljoen… De ambities zijn talrijk en groot.

“Onze missie en visie zijn inderdaad heel ambitieus. Een van de reacties van de klankbordgroep waarmee we hebben gewerkt, was dat het tijd werd dat er in België culturele instellingen opstaan met zo’n forse ambitie. Het museum hééft een enorme potentie. De collectie is van een absoluut topniveau en is veel breder dan vaak wordt gedacht. En dus zijn er ook een heleboel mogelijkheden, die we verplicht zijn te benutten. Ik vind dat een maatschappelijke verantwoordelijkheid, zowel naar de collectie als naar de middelen. Als je met een masterplan werkt waar zoveel energie en gemeenschapsmiddelen in worden gestoken, dan ben je toch verplicht de potentie die je hebt als gebouw, als instelling en als collectie zo maximaal mogelijk te benutten? En dan vind ik – misschien is dat een beetje on-Vlaams of on-Belgisch – dat je die ambities best scherp mag en moet zetten. Daar dient een visietekst ook voor.”


“Een van de reacties van de klankbordgroep waarmee we hebben gewerkt, was dat het tijd werd dat er in België culturele instellingen opstaan met zo’n forse ambitie.”


“Op een enkel punt zijn we al hét museale referentiepunt voor Vlaanderen, op andere nog niet of zelfs nog lang niet. Dit betekent dus ook dat je je team prikkelt om het ook waar te gaan maken, in je hele werking, zo breed mogelijk. Wij vinden dat we normatief moeten zijn – dus niet alleen willen zijn – voor de hele museumsector. Al zijn er uiteraard nog musea die op allerlei specifieke aspecten uitstekend en innovatief werk leveren. Beeldende kunst is onze core, maar we zullen punctueel ook breder gaan naar andere kunstdisciplines.”

Bildung

U put volop inspiratie uit de traditie. Volgens u hebben de klassieke museale uitgangspunten niets aan relevantie ingeboet. De visie noemt in dat verband het ‘mouseion’ uit de oudheid, de Britse Parliamentary Act uit de verlichte 18de eeuw waardoor het British Museum werd opgericht, de ICOM-definitie ook uit 1946, zoals die in 2007 is herwerkt…

“Ja! Door bij de traditie te blijven aanknopen en haar bij je eigen tijd te brengen ben je extra sterk: dat is mijn overtuiging. De erfgoedsector, en de cultuursector in het algemeen, blinkt lang niet altijd uit in het reflexief denken en terugkijken. Er is een begrijpelijke neiging om mee te gaan met de trends van de dag. Maar als je gaat kijken naar wat de buitenwereld verwacht en daar sleutelwoorden uithaalt: participatie, openheid, kunst en wetenschap combineren… Dan zie je dat het allemaal al zit in waar we vandaan komen! Ik zeg daarom: laten we kijken wat de traditie te bieden heeft en waar we een eigentijdse vertaling aan kunnen geven. Ik vind dat krachtig. Het is het fundament waarop we werken, een bron van inspiratie én ook van vernieuwing. Als traditie een keurslijf wordt – in de zin van: “we hebben het altijd zo gedaan en dus moet het zo blijven” – dan is het natuurlijk verkeerd. Dat is niet wat we willen.”


Laten we kijken wat de traditie te bieden heeft en waar we een eigentijdse vertaling aan kunnen geven. Ik vind dat krachtig.


 

“Vernieuwing is ook relatief. Ik denk dat de tijd voorbij is dat we in een soort van vooruitgangsoptimisme moeten denken dat alles altijd maar beter wordt. Dat is niet zo. Als museum moet je wel continu je rol herdenken en je ‘oude’ concept opnieuw in de maatschappij van vandaag plaatsen en actueel houden. Dat is voor mij het belang van traditie. In de volle wetenschap dat er over tien of vijftien jaar weer andere antwoorden zullen zijn op andere maatschappelijke omstandigheden. Maar de kern heeft voor mij niets aan actualiteit verloren.”

We leven in tijden van horizontalisering, participatie en cocreatie, ervaringskennis en beleving, sharen enz. U kent de kritiek op de klassieke museale werking, die te veel top-down zou zijn.

‘Wij hebben als museum niet de waarheid in pacht. Maar als je de herwerkte ICOM-definitie uit 2007 echt goed leest, dan zit daar heel veel in en je kunt er veel kanten mee uit. Dat gezegd hebbende, en ik weet dat sommigen dit conservatief zullen vinden: wij geloven in de verlichtingsdenkbeelden, wij geloven in onze publieke opdracht en wij geloven in onze educatieve opdracht. Niet in de zin van beleren, maar van ‘iets leren’, iets meegeven, iets bijbrengen. Het Bildungsideal, zowel op individueel niveau als maatschappelijk. Daarom kijk ik graag naar het mouseion uit de oudheid en ook naar de 18de eeuw, toen de musea ontstonden.’


 

Van mouseion naar museum

Huis van de Muzen en kenniscentrum

Het mouseion, in het Latijn: musaeum, was in de oudheid het huis van de Muzen, de inspirerende Griekse godinnen van de kunsten en ook de patronessen van het intellectuele leven en van het leren in het algemeen. Het bekendste mouseion was dat van het Egyptische Alexandrië uit de 3de eeuw v.Chr., nauw verbonden met het koninklijk paleis. Kennis opslaan en nieuwe ideeën voortbrengen, los van disciplines, was de kernopdracht van de instelling. De bibliotheek vormde er het hart van en er verbleef een gemeenschap van knappe koppen uit het hele mediterrane gebied. Er werd samen gegeten, er waren vergaderruimtes en overdekte gaanderijen, en ook de tuin was een essentieel onderdeel. De Romeinen namen het idee en het woord (museaeum) over. Dat idee van de ‘tempel van de Muzen’ zal pas in de 15de eeuw opnieuw opduiken, in Italië. Openbare musea zoals wij die kennen zijn in de 18de eeuw ontstaan.

Het moderne museum en zijn opdrachten

Toen in 1946 museumprofessionals de International Council of Museums (ICOM) oprichtten, werd er een internationale definitie uitgewerkt van wat een museum is en doet. De ICOM-definitie wordt regelmatig bijgewerkt en aangepast aan de evoluerende realiteit van de internationale museumgemeenschap. In haar meest recente vorm (2007) luidt ze in het Nederlands als volgt:

 ‘Een museum is een permanente instelling, niet gericht op het behalen van winst, toegankelijk voor publiek, die ten dienste staat van de samenleving en haar ontwikkeling. Een museum verwerft, behoudt, onderzoekt, presenteert, documenteert en geeft bekendheid aan de materiële en immateriële getuigenissen van de mens en zijn omgeving, voor doeleinden van studie, educatie en genoegen.


De wereld van de wetenschap

Mogen wij uw stempel ook zien in de nadruk die de visie legt op de structurele verankering van de museumwerking in de academische wereld van wetenschap en onderzoek?

“Ja, maar dat leeft hier in huis veel meer dan mensen vaak denken. Op dat gebied staat het KMSKA heel sterk. Er is veel kennis, die op een hoog internationaal niveau staat en gerespecteerd wordt. Zij het dat het op twee punten minder goed loopt: de publieke vertaling is nog te zwak en het draait te veel om personen. Er is geen structurele verankering in de academische wereld. Die persoonsgebonden expertise willen we nu verankeren binnen de organisatie. We streven ook naar een verankering en banden met de universiteit die het persoonlijke overstijgen.”

Dan moet je die universiteiten wel meekrijgen. Want dat is nieuw voor Vlaanderen. Er is nog vaak sprake van een kloof tussen de erfgoedwereld en de academische wereld.

“Maar we hebben de universiteiten al mee! We voeren bijvoorbeeld gesprekken met de Universiteit Antwerpen en er is een samenwerkingsovereenkomst met de vakgroep van Koen Janssens rond materiaaltechnisch onderzoek. We zitten aan tafel met de KU Leuven en de U Gent, waar ik lesgeef, om te kijken hoe we van het individuele naar het structurele kunnen gaan. Dat is een groeiproces.”

Musea en wetenschap: Dr. Geert Van der Snickt (UA) onderzoekt schilderijen uit de KMSKA-collectie met een scanner die werd ontwikkeld door de UA en de TU Delft.

Musea en wetenschap: Dr. Geert Van der Snickt (UA) onderzoekt schilderijen uit de KMSKA-collectie met een scanner die werd ontwikkeld door de UA en de TU Delft.

“Wij zijn ook als enige museum in Vlaanderen een erkende wetenschappelijke instelling, al sinds de jaren 1960. Dat willen we nu opentrekken naar de academische wereld. Ik hamer al vijftien jaar op diezelfde nagel, en ik niet alleen. Nu zit ik in de omstandigheid dat ik misschien nog wat harder kan doorgaan hierop. Maar je merkt bij diverse musea de wil om er iets aan te doen.”

Hoe moeten we ons dat voorstellen: het onderzoekswerk meer zichtbaar maken?

“Daar leven allerlei ideeën over. Eén voorbeeld: we hebben een uitstekend restauratieatelier. Restaureren is tegenwoordig een interdisciplinaire wetenschap geworden met hooggespecialiseerde mensen. We merken, onder meer tijdens Wetenschapsweken en bij andere activiteiten, dat daar bij een breed publiek grote belangstelling voor is: wat gebeurt daar allemaal, in dat atelier? Daar gaan we op inspelen. Ook op de website, die vernieuwd zal worden. Je moet als museum een gezicht geven aan wat er allemaal achter de schermen gebeurt. Hoe een signatuur tevoorschijn komt, zoals nu bij de Judith van Jan Matsys: dat is toch fantastisch om te zien.”

U heeft het vaker over ‘laten zien wat er achter de schermen gebeurt’, ‘verantwoorden wat je als museum doet’… Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam, waar u uw loopbaan begonnen bent, gaat daarin nog verder, met een nieuw collectiegebouw waar je als bezoeker iedereen aan het werk kunt zien. Een wereldprimeur.

“En een zeer interessant model, waarvan ik hoop dat het ook levensvatbaar zal blijken te zijn. Maar inderdaad, we hebben er als museum alle baat bij de gemeenschap te laten zien wat er allemaal achter de schermen gebeurt en waar ook heel veel middelen naartoe gaan: veel daarvan zijn bestemd voor zaken die niet zichtbaar zijn voor het publiek en voor politici.
Je moet bijvoorbeeld ook nadenken hoe je je wetenschappelijke staf een gezicht kunt geven. Conservatoren die over objecten vertellen, het oude praatjes-bij-plaatjesconcept, dat wérkt nog altijd, maar nu natuurlijk met nieuwe media. Mensen vinden het in een natuurhistorisch museum bijvoorbeeld fantastisch te horen vertellen wat al die vreemdsoortige voorwerpen betekenen. Wijzelf zijn relatief beperkt in het zichtbaar maken van wat wetenschap is en doet, omdat we geen vast gebouw hebben. Maar in ons nieuwe gebouw zullen we wel ruimte hebben voor kleinere focuspresentaties om nieuwe inzichten te laten zien uit het onderzoek: cultuurhistorisch, materiaaltechnisch, kunsthistorisch…”

Knooppunt

Belangrijk zijn ook het knooppuntidee en de netwerkgedachte: het museum als knooppunt in een netwerk. U wil op gelijke voet staan met internationale spelers als het Prado in Madrid, de Gemäldegalerie in Berlijn, het Kunsthistorisches Museum in Wenen… Valt dat waar te maken? Zit u met het KMSKA op die hoogte?

“Eigenlijk wel. Zijn wij zo groot als het Prado? Nee. Maar daar gaat het niet om. De vraag is wél: ben je een speler die in die liga kunt spelen wat prestaties, tentoonstellingen, ambitieniveau, onderzoek etcetera betreft? Ja, dat kunnen we. Dat blijkt uit onze huidige gesprekken met bijvoorbeeld Wenen, Berlijn, Madrid, het Rijksmuseum ook, het Mauritshuis… We leggen de lat hoog, maar voor de musea die ik noemde is het KMSKA een vanzelfsprekende partner. Deze zomer is er de Clara Peeters-expo in het Rockoxhuis, in samenwerking met het Prado, en een jaar later laten we 17de-eeuwse Vlaamse landschappen zien, samen met Dresden. In 2018-2019 werken we met het Kunsthistorisches Museum Wenen samen rond Pieter Bruegel.”


“Zijn wij zo groot als het Prado? Nee. Maar daar gaat het niet om. De vraag is wél: ben je een speler die in die liga kunt spelen wat prestaties, tentoonstellingen, ambitieniveau, onderzoek etcetera betreft? Ja, dat kunnen we.”


“We zijn ook op andere niveaus een knooppunt: als KMSKA heb je een bakenfunctie binnen Vlaanderen. Ook met kleinere instellingen gaan we daarom partnerships aan en geven we duwtjes. Zo gaan we in Mechelen samen een project opzetten rond rechtvaardigheid. De expertise voor het opzetten van zulke grote tentoonstellingen komt van hier. En in Oudenaarde komt er in 2018 een focustentoonstelling rond Adriaen Brouwer.”

Alternatieve financiering

Er springt nog een andere behoorlijk concrete ambitie in het oog: het museum gaat naar een heel nieuw financieel model.

“Daar kan ik nog niets specifieks over zeggen, omdat we er het komende halfjaar over gaan nadenken. Kijk, je hebt je beleidsplan, je hebt als KMSKA je juridische-institutionele omgeving binnen de Vlaamse Gemeenschap en dan heb je het financieringsmodel. Dat is allemaal met elkaar verweven. Het is in ieder geval duidelijk – dat is een internationale trend – dat we niet hoeven te rekenen op een structurele verhoging van wat klassiek ‘de dotatie’ heet. De verwachting is dat we op niveau zullen blijven. Als we onze grotere ambities in ons groter gebouw willen waarmaken, zullen we dan ook moeten gaan naar andere vormen van financiering. Nog altijd met de dotatie als fundament, maar daar zal een fors bedrag bij moeten komen. Noem het alternatieve financiering of, in het Engels klinkt het mooier, development. Dat zijn dan inkomsten uit ticketing, merchandising, events… Het gaat ook om andere subsidiestromen: wij zijn ook een wetenschappelijke instelling, en dus kun je kijken naar wetenschapssubsidies en onderzoeksmiddelen waar de Europese Unie jaarlijks vele miljarden aan besteedt. De subsidiemogelijkheden zijn er veel groter, maar het is wel een arbeidsintensief werk. Het gaat verder ook over privémecenaat, klassieke vormen van sponsoring, mediasponsoring…”

Daar zijn we in Vlaanderen nog niet bijzonder sterk in.

“Er is nog een weg af te leggen, maar je ziet wel dat er door de maatschappelijke veranderingen en de visie dat je als culturele instelling meer eigen middelen moet genereren een omslag is, zeker bij een aantal grotere instellingen.”

Ook bij de potentiële financiers? Want daar moeten de middelen dan toch deels vandaan komen.

“Het hoogtij van de traditionele cashsponsoring door bedrijven is weg. Vijf tot tien jaar geleden kon je nog met een ambitieus cultureel project naar een sponsor gaan en daar kreeg je dan X euro voor, in ruil voor visibiliteit. Dat is niet helemaal voorbij, maar het heeft aan belang ingeboet. Er worden nu meer sponsordeals gemaakt met bedrijven waarbij je gezamenlijk in trajecten investeert.
Iets anders is – dat blijkt uit allerlei ontwikkelingen in Noordwest-Europa – dat het privémecenaat groeit. Ook dat is een doelgroep die je moet benaderen. De traditie van privémecenaat wás ooit zeer bloeiend in België, maar ze is in de jaren 1950/1960 teloorgegaan, toen de overheid het overnam. Ze is hier scherper doorgesneden dan in landen als Nederland, Engeland… Het gaat niet alleen om verzamelaars maar ook om mensen die culturele doelen genegen kunnen zijn.
Die hele zogenaamde alternatieve financiering is dus niet één tovermiddel. Je moet verschillende mechanismen inzetten en zo gaan naar een substantieel andere manier van inkomsten genereren. We zijn nu modellen aan het uitwerken. Ook die contouren zullen in 2016 duidelijker worden.”

U kent de kritiek op het toenemende aandeel van privémiddelen voor een museumwerking: dat blijft niet zonder gevolgen voor de inhoudelijke werking, de programmatie. Financiers stellen ook eisen.

“Ik deel die angst niet. Een museum dat een duidelijk profiel heeft, dat passie uitstraalt en er echt in gelooft, trekt mensen en bedragen aan die zich juist daarmee willen verbinden. Een goed inhoudelijk verhaal enthousiasmeert, een verwaterd compromis niet. Iets anders is dat je goed moet nadenken over wat je in return te bieden hebt. Maar ook daar geldt dat je aanbod kwalitatief en inhoudelijk in het verlengde ligt van je artistieke visie. Het mooie van een museum als het KMSKA is dat door de brede en rijke collecties je zowel het brede publiek kunt aanspreken en financiers kunst aantrekken.  Die maken het mogelijk om ook in de diepte te werken en voor minder vanzelfsprekende onderwerpen (financiële) draagvlakte te vinden.”

Nieuwe naam?

Meer middelen genereren, dat betekent ook dat het museum een krachtig beeld nodig heeft om mensen aan te trekken. Wat is er gepland op het vlak van marketing?

“We beginnen in 2016 aan een campagne. Dat wordt de opmaat van de campagne voor de heropening. Dat wordt nu uitgetekend. Heel belangrijk is dat het museum dicht is en dat, ondanks de hele mooie acties met “Dicht maar dichtbij”, je toch merkt dat het gesloten museum als instelling wat uit het gezicht aan het verdwijnen is. We gaan mensen weer bewust maken van onze aanwezigheid en van onze naderende heropening. Dat wordt in de loop van 2016 zichtbaar.”

En dan was er de kwestie van de nieuwe naam. U bent daar dubbel over: het mag maar het hoeft niet.

“Ach, dat zijn natuurlijk van die teasers waar de buitenwereld op springt. Je moet de juiste volgorde hanteren. Het is en blijft een feit dat we worden aangesproken over de naam. Bij veel mensen leeft de idee dat die moet veranderen. Maar je moet eerst bepalen wie je bent en wat je wil zijn: je corporate identity, branding… Dat is eigenlijk de vertaling van je visie. Daar denken we nu samen met een gespecialiseerd bureau over na. Pas dan, als je ambities vastliggen en je weet wie je wil zijn en hoe je je aan het publiek wil presenteren, kun je je afvragen: is “Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen” nog wel de juiste naam voor die ambities?
Ik heb van begin af aan gezegd dat voor mij alles ter discussie kan staan, inclusief de naam. Ik weet natuurlijk ook dat die een symboolwaarde heeft. Moet de naam veranderen? Nee, als uiteindelijk blijkt dat het de best denkbare vertaling is voor de ambities die we hebben, en voor wie en wat we willen zijn. Dan moet je het vooral zo laten.”

Bij deze zegt u dat dat niet zo is…

(lacht) “Laat het me zo zeggen: ik heb het gevoel dat het inderdaad niet helemaal het geval zal zijn.”

U noemt Bozar als een mooi voorbeeld wat naamgeving betreft.

“Je hoeft niet per se je formele naam te veranderen. ‘Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen’ als naam van de juridische entiteit, daar ben ik zeker een voorstander van. Die moet je gewoon handhaven. Het knappe van Bozar is dat de instelling ook nog steeds Paleis voor Schone Kunsten heet. Maar Bozar is een prachtige roepnaam: hij klinkt internationaal, is tweetalig, vat in één woord alle aspecten… Het is een heel geslaagd voorbeeld van wat men met dat trendwoord ‘branding’ noemt.”

Openheid

Termen als ‘digitalisering’, ‘virtueel museum’ vallen nog niet in de visie?

“Bij ons hele verhaal van het delen van de collectie hoort natuurlijk dat je werkt met de meest effectieve middelen om dat doel te bereiken. Het KMSKA zal niet noodzakelijk hét museum zijn dat een avantgarde-positie bekleedt in de nieuwste mediatrends, maar je moet natuurlijk wel kijken wat er beweegt en hoe je virtuele, digitale technieken kunt benutten. Daar zijn we achter de schermen heel hard mee bezig. Er zal in het beleidsplan zelf veel aandacht voor zijn. En ja, er is een achterstand, maar er wordt dus aan gewerkt. Trouwens, de basisinfrastructuur – standaarden, inventarisatie, ontsluiting – is al heel goed en we staan ver, maar het is allemaal nog niet genoeg vertaald naar het brede publiek.”

Gaat u de weg van Wim Pijbes en zijn Rijksmuseum op: alles gratis digitaal beschikbaar stellen?

“Het lijdt geen twijfel dat digitalisering en het digitaal ter beschikking stellen van je collectie, afbeeldingen en wetenschappelijke documentatie al de norm is. En als dat nog niet overal het geval is, zal het zeker de norm worden. Dat is een uitgangspunt. Een ander uitgangspunt, en een maatschappelijke realiteit, is dat die beschikbaarheid zo veel mogelijk gratis zal moeten zijn. Er is lange tijd gedacht, niet alleen door musea, dat dit een mogelijkheid was om middelen te genereren. Dat blijkt absoluut niet het geval te zijn. Het publiek verwacht, en eigenlijk terecht, dat alles gratis ter beschikking staat. Het Metropolitan doet het, het Rijksmuseum doet het… Alleen al door hun schaalgrootte moet je gewoon mee.’”

Nog een kernwoord uit de visie sluit hierbij aan: u wil een zo groot mogelijke openheid op alle niveaus.

“Transparantie, zowel intern als naar je stakeholders en naar het publiek, is heel belangrijk. Een voorbeeld: wij hebben een duidelijke procedure voor wat er gebeurt bij bruikleenaanvragen. Zoiets kan op de website staan. Je deelt natuurlijk niet alle informatie, maar de procedure op zichzelf, dat kan perfect: wie beslist waarover, hoe werkt dat…? Het is eigenlijk heel eenvoudig: we hebben niets te verbergen en dat moeten we laten zien. Vertrouwelijke informatie is iets anders. Daar moet je zeer voorzichtig mee omgaan, maar dat kun je dan ook zeggen. Ook dat is openheid: financiële waardes, veiligheidsaspecten, namen van bruikleengevers en verzamelaars, daar gaan we discreet mee om.”

U beschikt straks over 40% extra exporuimte. Wat betekent dat voor de zichtbare collectie?

“Het antwoord is tweeledig: ja, er komt meer ruimte, maar nu we de ideeën per zaal aan het uitwerken zijn, en straks ook met de scenograaf gaan bepalen wat waar zal hangen, blijkt soms ook dat less more kan zijn. Meer ruimte betekent niet noodzakelijk dat je permanent honderden werken extra moet hangen. Het betekent in ieder geval dat je veel flexibeler kunt omgaan met je collectie: meer wisselingen, focuspresentaties, tijdelijke presentaties uit je vaste collecties… Er zal meer te zien zijn en het zal regelmatiger in een wisselende context te zien zijn. Zeker in het nieuwe gedeelte.”

Door het nieuwe verticale museum dat in het oude geschoven wordt, zal er 40% meer exporuimte zijn. Visual Kaan Architecten

Door het nieuwe verticale museum dat in het oude geschoven wordt, zal er 40% meer exporuimte zijn. Visual Kaan Architecten

Huis voor alle kunsten

Nog even terug naar het ‘mouseion’. Dat was in de oudheid een huis voor alle disciplines, een plek voor alle muzen: van poëzie over architectuur tot beeldende kunsten. Hoe gaan we dat in dit huis merken?

“Op verschillende manieren. We lijsten een keuze op van ‘artists’ en ensembles ‘in residence’ uit andere disciplines, waarmee we inhoudelijk en creatief een aantal jaren zullen samenwerken. Bovendien geloven wij erg in de combinatie intra en extra muros, waar het museum inmiddels veel ervaring mee heeft opgedaan. We beperken ons niet tot wat er binnen onze eigen muren gebeurt, maar we zijn ook zichtbaar elders. Die lijn zullen we zeker doortrekken.”


“We beperken ons niet tot wat er binnen onze eigen muren gebeurt, maar we zijn ook zichtbaar elders. Die lijn zullen we zeker doortrekken.”


“Het betekent dat we met allerlei culturele partners uit andere kunstdisciplines ook op andere plekken kunnen samenwerken. Dat kan dus iets in het museum zelf zijn maar ook daarbuiten. In en ook buiten Antwerpen. We zijn niet alleen een museum van en in Antwerpen, maar ook een Vlaams en internationaal museum.”

“Kunnen delen van de collectie een rol spelen in producties elders, al dan niet virtueel en in combinatie met bijvoorbeeld muziek? Kunnen we rond thema’s werken die samenhangen met tentoonstellingen bij ons? Er zijn veel mogelijkheden, maar ik wil die laten ontstaan in een artistieke en inhoudelijke dialoog en ze niet normatief voorschrijven.”

Er is ook sprake van een intense samenwerking met het M HKA. Wat zijn concrete plannen?

“Vanaf dit jaar zitten we geregeld op directie- en stafniveau samen om te kijken hoe we onze samenwerking kunnen uitbouwen. Dat kan gaan van heel praktische zaken, zoals gezamenlijke inkopen om van schaalvoordelen te genieten, maar ook om projecten rond educatie of publiekswerking, of over ticketing en combitickets, wat vanzelfsprekend is als je zo dicht bij elkaar zit.
Het is bijvoorbeeld duidelijk dat wij in onze tentoonstellingen actuele kunst ruimte gaan geven, maar dan complementair met het M HKA, niet in concurrentie. Ik kan twee concrete voorbeelden geven. In 2018 gaat het KMSKA samen met Luc Tuymans – een M HKA-kunstenaar, zou je kunnen zeggen – een selectie uit de barokschilderkunst tonen. Wij nemen daarin de leiding en presenteren de selectie in het M HKA. Omgekeerd ambiëren we een project rond Thierry de Cordier in het KMSKA die dan eerder inhoudelijk wordt gestuurd door Bart De Baere en zijn team. Zo kun je mekaar bevruchten en inhoudelijke coproducties maken die bij elkaar kunnen plaatsvinden. Maar ik wil heel nadrukkelijk zeggen dat we twee afzonderlijke entiteiten blijven en dat we op zoek gaan naar samenwerking en synergie waar het zinvol is. Wij gaan actuele kunst niet actief verzamelen.”

Nieuw licht

U heeft al namen gelost die in grote projecten centraal zullen staan: Ensor, Bruegel, Dürer… Dat zijn grote, klassieke namen. Hoe kun je daarmee nog vernieuwend zijn?

“O, op heel veel manieren. Dat heb ik in mijn Brugse verleden, samen met Till Borchert, al laten zien, bijvoorbeeld door te tonen hoezeer de kunst uit de Bourgondische Nederlanden in de 15de eeuw van fundamenteel belang is geweest voor de artistieke ontwikkeling in de rest van Europa. Denk aan Jan van Eyck en het Zuiden, of het project met Van Eyck en Dürer, of over Karel de Stoute. En zo waren er nog tentoonstellingen die een nieuw licht wierpen op facetten als ‘de hofcultuur’, ‘kunst in Centraal-Europa’ etcetera. Daaruit blijkt ook nog eens het belang van een wetenschappelijke instelling te zijn. Daardoor heb je op hoog niveau expertise in huis om vanuit verrassende invalshoeken en met nieuwe inzichten naar oude kunst te kijken. De dag dat we geen nieuw licht meer kunnen werpen op oude meesters, stop ik er beter mee, denk ik. (lacht)
Laat ik ook zeggen dat we inderdaad die grote ankerpunten hebben, maar het komende jaar werken we het tentoonstellingsprogramma verder uit en zullen er nog veel andere namen en onderwerpen bijkomen.”

Jongbloed! maakte tijdens de sluiting de tentoonstelling De Modernen. Duo's II in de Koningin Fabiolazaal (2014). Foto: Marcel Lennartz

Jongbloed! maakte tijdens de sluiting de tentoonstelling De Modernen. Duo’s II in de Koningin Fabiolazaal (2014). Foto: Marcel Lennartz

Maar het museum wil een breed publiek aanspreken. Hoe gaat u met dit soort tentoonstellingen ook jongeren aantrekken?

“Daar is geen eenduidig antwoord op. Anders was de wereld een stuk eenvoudiger. Net zoals er geen eenduidig antwoord is op de vraag hoe je minder traditionele groepen en mensen met andere culturele achtergronden in je museum krijgt. Je moet verschillende strategieën hanteren, een consistente visie op langere termijn aan de dag leggen en keuzes maken. Het slechtste wat je mijns inziens kunt doen is inspelen op trends: hier een brokje voor jongeren, daar een brokje voor mensen uit de Marokkaanse gemeenschap, daar weer voor anderen. Eerst moet je bedenken welke groepen je wil bereiken – je kunt als museum ook niet alles tegelijkertijd doen – en vervolgens moet je nagaan wat de strategie is om te doen wat je wil doen. Jongbloed! onze werking met een jongerengroep, is een voorbeeld. Zoiets doe je niet voor één of twee jaar. Je hoeft ook niet bang te zijn om zelfkritisch te zijn en je nu en dan af te vragen of je keuzes nog werken.”


“Het minst heb ik een antwoord op de vraag hoe we kunnen aansluiting kunnen vinden bij andere doelgroepen, waar mensen ook vandaan komen. Daar worstelen we in de culturele sector allemaal mee.” 


“Onderschat ook nooit je publiek! Het is absoluut niet zo dat jongeren niet in oude meesters geïnteresseerd zijn. Ook dat heb ik in Brugge gezien: wat we deden was behoorlijk in trek bij twintigers en dertigers. Je moet je dus niet anders voordoen dan je eigenlijk bent, maar je moet wél zoeken naar een vertaling die groepen aanspreekt. En je moet in je communicatie keuzes maken: waar bereik je jongeren en hoe bereik je ze?

Het minst heb ik een antwoord op de vraag hoe we kunnen aansluiting kunnen vinden bij andere doelgroepen, waar mensen ook vandaan komen. Dat is een van onze grootste en meest complexe opdrachten. Daar worstelen we in de culturele sector allemaal mee en de antwoorden zijn uitermate complex. Successen zijn vaak relatief klein en zwaar bevochten. In dit alles is mijns inziens geduld en werven op lange termijn cruciaal.”

Zwaar bevochten

Een kunstmuseum heeft uiteraard kunsthistorici nodig, maar vandaag de dag horen er ook andere profielen thuis in het personeelsbestand. Die zijn er nog te weinig, is de roep.

“Dat is een pijnpunt, maar uiteraard niet alleen in dit huis. Je kunt heel veel talenten gebruiken en die zijn er nog niet altijd. Terwijl er zoveel potentie in de collectie zit en in het museum met al zijn mogelijke activiteiten dat het een aantrekkingspool moet zijn voor de meest uiteenlopende talenten.
Ik denk dat daarin de samenwerking met de universiteiten van belang is. Ook zij denken erover na hoe zich te organiseren. Je voelt dat de tijd van de ijzeren schotten tussen afgescheiden vakgroepen voorbij is. Ik hoop alleen dat het kind niet met het badwater wordt weggegooid. Er is in elk geval steeds meer interdisciplinaire samenwerking waarin inzichten worden gedeeld. Een deel van het antwoord zit daar. Zelfs een grote instelling als het KMSKA kan nooit alle disciplines behartigen en moet dus samenwerken. We moeten daarin open zijn.
Wat ik écht belangrijk vind, is – en dat is een structureel maatschappelijk probleem dat we als museum niet zelf kunnen oplossen – dat maar heel weinig mensen uit die niet-traditionele groepen kunstwetenschappen of humanities studeren, en dat ze dus niet doorstromen naar organisaties als de onze.”

De bib als hart

De kern van een klassiek kenniscentrum is de bibliotheek. Hoe vertaalt u dat naar onze tijd?

“Dat zal ook écht zo zijn in het nieuwe museum. Ik sta pal voor de bibliotheek en ik zie haar echt als een plaats voor onderzoek en wetenschap. Ik vind niet dat de bibliotheek primair zo veel mogelijk mensen moet ontvangen – er zijn voor scholieren die een werkje over Ensor maken honderden plekken, ook op het net uiteraard – maar iedereen die op een of andere manier meer in de diepte wil gaan, moet onze bibliotheek als eerste plek zien, ook via de digitale poort uiteraard. In een ideale wereld is zo’n ruimte een plek voor ontmoetingen, kleine presentaties, lunchmeetings… De bibliotheek moet het kloppend hart zijn van het onderzoek.”

De bibliotheek is in het nieuwe museum te zien vanuit de museumshop, en is vlot toegankelijk via de vestiaire.

De bibliotheek is in het nieuwe museum te zien vanuit de museumshop, en is vlot toegankelijk via de vestiaire.

En wat zal er met de tuin gebeuren?

“De tuin wordt belangrijk voor het nieuwe KMSKA! Kijk, we hebben een prachtig gebouw, een van de mooiste laat-19de-eeuwse museumgebouwen, maar met alle voor- en nadelen. Een van de nadelen is en blijft dat het letterlijk een soort verheven tempel is, met trappen waar veel jongeren op zitten, maar met hun rug naar het museum. We moeten ervoor zorgen dat het museum en de tuin meer elkaars verlengde worden. Op een bepaald moment dachten we dat de tuin de eerste museumzaal moest worden, maar daar komen we nu van terug. Dan lijk je te suggereren dat je de tuin gaat musealiseren en sacraliseren. Dat is nu net niet de bedoeling. De tuin moet een belangrijk element zijn voor de buurt én de passant. We gaan daar met de stad aan werken.
Ook hier is het interessant terug te kijken. In het oorspronkelijke ontwerp had je de square-gedachte: er moest een vrij open tuin komen, een aangename ruimte waar mensen konden flaneren. We gaan niet naar een reconstructie daarvan, maar die gedachte willen we wel vertaald zien.”

Coda

“Ons nieuwe gebouw straks is voor mij een metafoor voor wat ik hier heb verteld: het prachtige oude pand wordt volop gerespecteerd, maar in het oude stuk verrijst tegelijk een nieuw gedeelte. Het nieuwe wordt letterlijk in het oude gepast.”

Standaard

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s