KMSKA-directeur Manfred Sellink in gesprek met Patrick De Rynck. Foto: Marcel Lennartz
Interview, Zaal Z

Manfred Sellink: Hoe blijf je als museum relevant?

Als alles goed gaat, staat het KMSKA tot circa 2030 onder leiding van Manfred Sellink, die er sinds 1 december aan de slag is. ZAAL Z sprak uitgebreid met de nieuwe directeur over zijn ambities en plannen.

Gesprek door Patrick De Rynck 

Dit is de neerslag van het interview met Manfred Sellink dat op 11 december werd afgenomen en ongeveer anderhalf uur in beslag nam. De gedrukte versie in het lentenummer van ZAAL Z is ingekort.

Manfred Sellink (1962) is bezig aan een drieluik. Elf jaar was hij conservator van het prentenkabinet in Museum Boijmans van Beuningen in Rotterdam en hij leidde veertien jaar het conglomeraat Musea Brugge. Zijn KMSKA-luik zal rond 2030 klaar zijn, gezien de nieuwe pensioenleeftijden. Maar eerst keren we terug in de tijd.

Een bepalend moment

Wanneer is uw fascinatie voor kunst begonnen, en dan met name voor oudere kunst?

Manfred Sellink: “Ik heb van jongs af aan een enorme fascinatie gehad voor geschiedenis. Toen ik zeven acht was, nog vóór we naar Zuid-Afrika trokken, gaf ik al spreekbeurten over Napoleon, Julius Caesar en andere dingen die je op die leeftijd belangrijk vindt. Toen ik veertien à vijftien was, stond het voor mij buiten kijf dat ik iets met geschiedenis ging doen. Ik was ook lid van de archeologische werkgroep Nederland en ging elke zondag opgravingen doen.
Kunst was geen aparte fascinatie, al ging ik met mijn ouders wel eens naar tentoonstellingen en vond ik dat interessant. Tot ik zestien was en in het gymnasium in Hilversum een heel inspirerende docent geschiedenis had die kunsthistoricus was. Hij nam de hele klas op sleeptouw, zoals goede docenten dat kunnen. Ik herinner me nog heel goed dat we in het vijfde jaar een vijfdaagse excursie naar Vlaanderen maakten: een dagje Ieper, Brugge, Antwerpen, slapen in de Sint-Pietersabdij in Gent. Dat moment was voor mij heel vormend. In Brugge was ik gebiologeerd door de Vlaamse primitieven: Van der Goes, Van Eyck… Die kon je toen nog zien in die kapelletjes met hun mystieke uitstraling die ik later zelf heb doorbroken.
Van Antwerpen herinner ik me de monumentale trappen van het museum en de verbluffende indruk die Ensors Intocht van Christus op mij maakte, toen in 1979. Van Rubens herinner ik me geen indrukken. Tóen stond voor mij vast: het wordt kunst en ik ben beginnen lezen: Panofsky, Huizinga… De kiemen waren voordien wel gelegd, maar dat moment was toch bepalend. Aan het eind van het zesde jaar heb ik de Grote Scriptieprijs van Nederland gewonnen voor mijn thesis over Ensor. Uit mijn verhaal blijkt nog maar eens hoe belangrijk docenten zijn, en het onderwijs in het algemeen.
Het is ongelooflijk dat de twee dingen die mij toen het meeste bij zijn gebleven, behalve het bier en de Sint-Pietsersabij en andere dingen die een zestienjarige bijblijven, de bezoeken aan de musea van Brugge en Antwerpen zijn. Daar ben ik dus later leiding aan gaan geven. Alsof het zo moest zijn.”

Hoop op frisse ogen

Als u het over uw favoriete Antwerpse musea heeft, behalve uiteraard het KMSKA, noemt u Museum Plantin-Moretus en Museum Mayer van den Berg. Dat zegt alles over uw vakgebied en uw begeestering voor papieren kunst en de 16de eeuw. Wat daar nog bijkomt is hedendaagse grafiek en tekeningen. U bent onder meer intens bezig met Luc Tuymans. Wat me daarin intrigeert is dat u dankzij die hedendaagse kunst beter leert kijken naar oude kunst. Hoe moet ik me dat voorstellen? Leert Tuymans u beter naar Bruegel kijken?

“Vanaf mijn studententijd en ook toen ik met mijn doctoraat bezig was, kwam ik contact met grafici en mensen met liefde voor hedendaagse, vooral figuratieve grafiek, ook via het prentenkabinet in Rotterdam. Door met hen te praten over de techniek kreeg ik een beter inzicht in de etstechnieken van de 16de en 17de eeuw. Zelf teken ik niet, al heb ik een cursus etskunst gevolgd, alleen maar met de ambitie te weten hoe het voelt om met de etsnaald door het koper te gaan. Verdere artistieke ambities heb ik niet op beeldend vlak, wel muzikaal.
Toen ik in Boijmans verantwoordelijk werd voor een groot prentenkabinet met ook een zeer belangrijke collectie eigentijdse grafiek – Hockney, Baselitz en grote Nederlandse kunstenaars –, fascineerden mij de contacten die ik daar opbouwde des te meer, maar dan niet meer zozeer om de techniek, die ik overigens ontzettend boeiend blijf vinden. Ik ging met hen meekijken hoe zij beeldend dachten, op welke manier ze tot beelden kwamen. Als je bezig bent met een Bruegel of Lucas van Leyden en andere kunstenaars uit de 16de eeuw, werk je altijd vanaf de resultaten en kun je nooit echt doordringen tot het creatieproces. Als we al tekeningen hebben, zijn het maar fragmenten.
Ik zeg niet dat ik het creatieproces van Bruegel denk te begrijpen doordat ik met kunstenaars van nu praat, maar het helpt mij wel om het materiaal minder conventioneel te benaderen en te denken vanuit de beeldende kracht. Zo heb ik bij Bruegel veel meer oog gekregen voor de ritmiek in z’n schilderijen, de manier waarop hij met ritmische herhalingen werkt: bewegingen, vormen, diagonalen die herhaald worden. Dat heb ik beter leren begrijpen door te praten met kunstenaars van nu over hoe je tot een beeld komt. Dat fascineert mij, net zoals zien hoe iemand als Luc Tuymans in prentenkabinetten totaal andere bladen interessant vindt dan wat wij als kunsthistorici soms als topproducten of belangrijke bladen beschouwen. Hij pikt er andere tekeningen uit, kijkt anders als kunstenaar. Dat is natuurlijk zeer individueel: het is niet omdat je met de ene werkt dat je de anderen begrijpt.
Ik denk in het algemeen dat, door met kunstenaars te praten, ik een beter inzicht krijg in de artistieke en technische processen. Ik hoop ook dat ik daardoor de oude kunst wat minder dogmatisch en conventioneel kunsthistorisch benader. Dat is mijn hoop, de hoop op frisse ogen. Misschien is het een illusie.”


“Ik vind het ontzettend belangrijk contact te houden met de jongste generatie studenten: hoe kijken ze, hoe denken ze?”


U maakt een overzichtswerk en -tentoonstelling over Tuymans, u bereidt de grote Bruegeltentoonstelling in Wenen van 2018 voor, u doceert museologie in Gent… Is dat allemaal combineerbaar?

“Het was in Brugge combineerbaar en die organisatie was nog wat groter en van een ander type dan het KMSKA. Mijn opdracht in Gent is beperkt tot 10% en ik vind het bijzonder belangrijk dat museumkunde en kunstbeleid gegeven worden door iemand met een wetenschappelijke achtergrond, die ook geworteld is in de praktijk. Ik vind dat een toegevoegde waarde voor studenten in de kunstwetenschappen. Het is onze taak hen zoveel mogelijk mee te geven, ook van onze praktijk. Zij moeten gestimuleerd en geëquipeerd worden om in het kunstenveld te werken. Ik vind het anderzijds ook ontzettend belangrijk contact te houden met de jongste generatie studenten: hoe kijken zij, hoe denken zij? Daarom heb ik ook altijd veel stagiairs gehad. Ook voor het museum is die input een grote toegevoegde waarde. Tot slot: Bruegel in Wenen ligt zó in het verlengde van wat ik in Antwerpen wil doen… En ja, ik heb altijd graag en veel gewerkt, het is een passie.”

Nieuwe modellen voor musea?

Portret Manfred Sellink. Foto Marcel Lennartz

Portret Manfred Sellink. Foto Marcel Lennartz

U treedt aan op een moment dat er in de relatie met de overheid twee tendensen samengaan: besparingen, of ruimer gezegd een zich terugtrekkende overheid, samen met een legitimeringstendens: je moet je maatschappelijke relevantie aantonen als museum, meer eigen middelen genereren, verzelfstandigen… Ik vraag me af: kloppen de snelheden? U zegt zelf: netwerken in de ondernemerswereld is iets van de lange termijn, terwijl wat ons nu overvalt snel gaat. Ik zie daar een kloof. Is de Vlaamse samenleving klaar voor de nieuwe modellen die zich voor musea aan het ontwikkelen zijn: crowdfunding, mecenaat, legaten, privéschenkingen… In de Angelsaksische traditie is men daar al veel langer mee bezig.

“Je moet voorzichtig zijn om dingen met elkaar te vergelijken. Er wordt heel vaak verwezen naar vooral Amerika, maar dan zie je over het hoofd dat de visie op de rol van de overheid daar vanaf de 19de eeuw wezenlijk anders is dan in Europa. Dat blijkt ook het feit dat de fiscale structuur totaal anders is, met stimuli die hier veel minder aanwezig zijn.
Dat gezegd hebbend: ook in Vlaanderen en België was er lange tijd een traditie van mecenaat en schenkingen. Ik ken de herkomst van de KMSKA-collectie nog onvoldoende, maar bijvoorbeeld in Brugge zijn er vanaf de tweede helft van de 19de eeuw tot in de jaren 1960, en later nog incidenteel, op die manier belangrijke ensembles binnengekomen. Een beetje zwart-wit gesteld: het is opvallend dat sinds de jaren 1960/1970 de banden tussen musea, culturele instellingen en verzamelaars, mecenassen wat doorgeknipt zijn. Men vond dat deontologisch niet zuiver en de overheid nam een steeds grotere rol op zich, ook financieel. Daar had Vlaanderen lang een achterstand, zeker internationaal. Maar de mecenaatstraditie is er wel degelijk en dus kun je daarbij aanknopen.
We moeten volgens mij niet denken dat hier een Amerikaans model zal komen. Ook wat dat betreft zie je het hele spectrum van politieke inzichten, tot complete privatisering toe… Ik proef een voedingsbodem bij het ondernemerschap om samen te werken, zeker hier in Antwerpen, waar dat ondernemerschap nog veel meer aanwezig is dan in Brugge. Er is een groot aantal particuliere verzamelaars, weliswaar grotendeels van moderne kunst, maar ook van oude kunst, met wie ik al tijden bezig ben om banden mee op te bouwen, zoals ook collega’s dat doen. Er is zeker interesse om samen te werken. Daar zijn al verschillende voorbeelden van in musea.
Als de overheid zich terugtrekt en verwachtingen heeft over musea die meer gaan verdienen, moet ze volgens mij ook nadenken over fiscale stimuli rond schenkingen, wat in dit gefederaliseerde land complexer is dan elders, zonder dat ik daar politieke uitspraken over doe. Ik hoop dat men ook werk maakt van indemniteit. Er zijn dus mogelijkheden, zelfs met een terugtrekkende overheid, om meer te doen. Maar ik verwacht niet dat ze zich hier zo ver zal terugtrekken als bijvoorbeeld in Nederland lange tijd dreigde. Daar keert de slinger overigens al terug.”

Ook omdat men vaststelt dat de verhoopte verzelfstandiging moeilijker verloopt dan verwacht.

“Zeker in een klimaat van aanhoudende recessie. Het economische klimaat is niet uitzonderlijk jubelend. Voor heel veel instellingen, behoudens de grootste, is het moeilijk om te hooggespannen verwachtingen waar te maken. Het Rijksmuseum kan dat, maar voor het Rijksmuseum Twenthe bijvoorbeeld, dat me zeer dierbaar is, moet je andere normen stellen. Ik heb daar een tamelijk genuanceerd oordeel over. Ik denk wel dat het KMSKA – als grootste museum in Vlaanderen en in een stad met veel ondernemers, onder wie redelijk wat met een hart voor kunst en ook heel wat collectioneurs – zich in een bevoorrechte positie bevindt om hiervan zo optimaal mogelijk  te profiteren.”


 “We mogen best zelfbewuster zijn als museumsector en we moeten ons draagvlak vergroten: maatschappelijk, politiek, in de pers.”


Ik sprak een tijd geleden met Jan Huyghebaert, en later voor ZAAL Z ook met Jan van den Nieuwenhuijzen, beiden nauw verbonden met Antwerpse vriendenverenigingen. Zij zeggen: waarom maken we niet iets als de Vrienden van de Antwerpse Culturele Huizen? Ze vinden dat je door de huidige fragmentatie kansen mist, zeker ook wat imagebuilding betreft en voor het aantrekken van buitenlandse bezoekers en zelfs mecenassen.

“Ik heb daarover met de Vrienden al van gedachten gewisseld. Ik denk zeker dat synergie mogelijk is, maar je bent en blijft als cultureel huis in zekere zin ook wel concurrent: omdat je allemaal probeert een bepaalde groep mensen te bereiken die interessant is voor de culturele wereld en er affiniteit mee heeft.
Een goed voorbeeld van samenwerking is hoe in Nederland het Mauritshuis, het Concertgebouw het Danstheater Nederland en het Rijksmuseum gezamenlijk aan fundraising doen in Engeland, zonder hun identiteit te verliezen. Zij richten zich met z’n vieren als toonaangevende instellingen op de Nederlandse expats in de City.
Ik denk dat zoiets hier ook mogelijk is. Maar voor je gaat schrijven dat ik de Vrienden van het KMSKA wil afschaffen, denk ik ook dat heel veel mensen zich identificeren met een instelling en zich eraan hechten. Dus: ja, samenwerking graag en zelfs maximaal, bijvoorbeeld voor fundraising. Maar op korte termijn zie ik niet dat de vriendenverenigingen als het ware zouden samengaan. Samenwerken doen bijvoorbeeld de vrienden van Brugge, Gent en Antwerpen ook, in het kader van de Vlaamse Kunstcollectie. Er zijn mogelijkheden, maar we moeten uitkijken dat we het kind met het badwater niet weggooien. De identificatie met een bepaalde collectie, een profiel, een instelling blijft voor veel mensen dominant om vriend te zijn.”

Je merkt in de Vlaamse kunst- en cultuurwereld deze maanden twee tendensen: we aanvaarden de besparingen, of we blijven ons verzetten omdat ze zo fel zijn en snel gaan. En we moeten de overheid overtuigen van de waarden die we vertegenwoordigen, ook economisch. U vermeldt in interviews zelf de 1 miljoen bezoekers van de Brugse Musea.

“Verzet door luid te roepen dat we zielig zijn en dat de bezuinigingen slecht zijn heeft geen enkele zin. Een positief verhaal over het maatschappelijke belang van musea wel, terwijl vaak alleen het intrinsieke belang wordt benadrukt. Hoe waar het ook is dat kunst van intrinsiek belang is, daar moet je mij niet van overtuigen, maar het wordt wat cliché.
Er is het bindende, participatieve belang van musea: er zijn weinig kunstinstellingen die zoveel vrijwilligers aan zich weten te binden en die zo’n wijd bereik hebben. Je kunt ook wijzen op het economische belang. Daar geloof ik wel in: er zijn allerlei aspecten waarmee je het publiek en het draagvlak van musea groter kunt maken. Dat is onze heilige en continue taak. Maar we moeten niet in de valkuil van een soort calimerocomplex vallen. We mogen best zelfbewuster zijn als museale sector en we moeten ons draagvlak vergroten: bestuurlijk, politiek, in de pers. Maar met een positief verhaal.”

Is het vanuit dat zelfbewustzijn dat u van de politici graag zou willen weten waar u in 2019 aan toe zult zijn?

“Los van welke politieke strekking je voorstaat en van politieke keuzes die gemaakt zullen worden (dat is het primaat van de politiek): als de politiek zegt “je moet meer zelf verdienen”, dan is dat een legitieme keuze die gemaakt kan worden. Ik vraag dan wel omgekeerd dat we over de lange termijn kunnen spreken, zodat we weten, zeker in het geval van het KMSKA, waar we aan toe zijn en we ons de komende jaren kunnen voorbereiden: de financiële context, de bestuurlijke context…”

Stage voor politici

Ik citeer uw collega en buurman Bart De Baere, directeur van het M HKA: politici begrijpen niet waar musea mee bezig zijn. Musea werken voor de eeuwigheid en wij zijn allemaal passanten. Maar denken op de lange termijn valt politici vandaag de dag zeer moeilijk: het perspectief zijn de volgende verkiezingen. Dat staat haaks op de longue durée van musea. Stelt u geen onmogelijke vraag door te willen weten waar u in 2019 aan toe bent?

“Ik weet niet of dat een onmogelijke vraag is. Door de dialoog aan te gaan met de politiek en met visienota’s te komen kun je een heleboel doen. Maar het is waar, wat ik al zei, dat we nog veel harder moeten werken aan ons politieke draagvlak. We bespraken bijvoorbeeld binnen de Vlaamse Kunstcollectie het idee van een stage voor politici, waar we elders in Europa een model van zagen. Het houdt in dat je een schepen, gedeputeerde, parlementslid, minister… een halve dag of een dag mee laat draaien in een museum: achter de kassa, in een vergadering over een educatief project, in het restauratieatelier…
De discussie over onze maatschappelijke legitimiteit is in Nederland door de zeer harde bezuinigingen echt gevoerd. Cultuurminister Halbe Zijlstra vond cultuur een linkse hobby. Hij had fundamenteel geen gelijk, maar hij had in die zin wel een punt dat cultuur zich afgewend had van de politiek en niet meer bekommerd genoeg was om het maatschappelijk draagvlak. Hij heeft bikkelharde en zeer onbarmhartige bezuinigingen doorgevoerd waartegen fel geprotesteerd is, maar dat heeft niet geholpen. Gelukkig is nu er een andere minister met een positief verhaal, maar wellicht was het een noodzakelijke schok voor de hele cultuurwereld te beseffen dat ze de maatschappelijke band en het bestuurlijke netwerk aan het verliezen waren. Een van de dingen die eruit kwamen – en het heeft echt gewerkt – zijn onder meer die ‘stages’. Roepen dat de bezuinigingen je hard treffen als de beslissingen al genomen zijn, is te laat. Je moet er continu aan werken en dus bijvoorbeeld een politicus af en toe mee laten draaien in je dagelijkse werking. Zo werk je stapsgewijs aan een beter begrip hoe complex musea zijn en hoe hard er met heel weinig middelen gewerkt wordt. We moeten daar veel meer proactief in zijn.”

2015, een cruciaal jaar

Dit is een cruciaal jaar voor het KMSKA: een nieuw beleidsplan, het masterplan herinrichting, alles kritisch onder loep nemen. Kunt u al iets loslaten voor de ZAAL Z-lezer?

“Ik ben niet het type directeur dat ex cathedra gaat bepalen hoe het zal worden en wat ik ga doen. Ik heb de staf toegezegd dat dit een proces wordt waar ik met iedereen aan wil gaan werken. Nu al zeggen wat de uitkomst zal zijn, zou daar haaks op staan. Er zijn natuurlijk wel aspecten waarvan ik denk dat ze belangrijk zijn. Dat we strategieën moeten ontwikkelen om naar de inkomsten te kijken en daar creatiever in moeten zijn, dat is onontkoombaar. De vraag is hoe we dat kunnen doen op een manier waarmee we tegelijk de kwaliteit en de inhoud bewaken.
Ik denk ook dat de rol van een museum in de samenleving een andere is geworden. Musea zijn niet meer vanzelfsprekend voor mensen met een hoog inkomen en een hoge opleiding. We concurreren met ontzettend veel anderen, en er is de gelijkwaardigheid van hoge en lage kunst en het zuivere recreatieve. Mensen kiezen daaruit. Of je het nu wel of niet leuk vindt: de belevingswaarde is belangrijk en de vanzelfsprekende kennis over geschiedenis vóór 1900 en over religie is een andere geworden. Mensen komen met andere tools. Ik zie dat absoluut niet als iets slechts, maar als een gegeven. In onze beleidsvisie moeten we antwoorden en strategieën bedenken: hoe kan het museum nog relevant zijn?
Een eenvoudig voorbeeld: in 1977 waren er de grote Rubensmanifestaties. Rubens was toen een enorme ster. Er was recent in Bozar die prachtige tentoonstelling van Nico van Hout over Rubens’ invloed. Mooie bezoekcijfers, daar niet van, maar je haalt nooit meer het succes van 1977. Dat heeft deels met concurrentie te maken, maar ook met de uiterst complexe beeldtaal van bij uitstek een kunstenaar als Rubens, die zeker in zijn grote allegorische en religieuze stukken helemaal niet meer vanzelfsprekend is voor een generatie van twintigers, dertigers, veertigers. Toch heeft Rubens relevantie. Ik geef nu maar één voorbeeld. Hetzelfde speelt voor de Vlaamse primitieven.”

Volgens mij is het complexer: voor mij was 1977 mijn kennismaking met Rubens en zelfs met kunst. Wij trokken met onze ouders, kleine zelfstandigen uit de Westhoek, naar het grote Antwerpse KMSKA, terwijl ze helemaal niet zo kunstminded waren. We hadden de Soubryalbums, dat wel, maar we bezochten geen tentoonstellingen. De beeldtaal van Rubens snapten zij ook niet. Het móest gewoon.

“Ja, dat klopt wel. Toen was hogere cultuur nog vanzelfsprekend: je ging ernaartoe omdat het Rubens was, ook al wist je niet waarover het ging. Nu goed, alle nieuwe randvoorwaarden – en dus ook de complexe beeldtaal – maken dat we naar een museum moeten dat veel meerlagiger is om relevant te blijven. Dat is complex. Het is een discussie die we de komende tijd met de staf moeten voeren.”

Esthetisch? Contextueel? Historisch? Thematisch?

Toch liet u ook al dingen los: je moet als museum je kerncollectie tonen, er komt een groter accent op de 16de en 20ste eeuw…

“Ja, en de staf liet niet na mij er meteen op te wijzen dat de collectie Vlaamse primitieven van het KMSKA groter is dan die van Brugge. De referentiewaarde van Brugge is wel canonieker. Nu goed, rond dit prachtige museum met zijn prachtige collectie hangt volgens mij te veel de perceptie dat dit het museum van Rubens, Jordaens en Van Dyck is, en van Ensor. Zonder ook maar enige afbreuk te doen aan deze grootheden en het belang van die deelcollecties, denk ik dat we echt naar een museum toe moeten dat kunst bestrijkt van de 15de tot aan de eigen tijd. De collectie is ernaar en we hebben straks de ruimte om haar in haar volle breedte en rijkdom te laten zien. Dat er een wat andere spreiding gaat komen, lijkt me logisch. Dat er pittiger accenten gelegd zullen vallen op de 15de en 16de eeuw, en ook op de 20ste eeuw, daar is denk ik ook iedereen intern van doordrongen. Ik predik daarmee niet de revolutie.”

Wordt het een contextueel museum – met het Rijksmuseum en zijn radicale keuzes als groot voorbeeld – of een esthetisch museum? De KMSKA-collectie heeft niet de reikwijdte van het Rijks in Amsterdam.

“Ik denk eerder contextueel dan louter esthetisch. We moeten blijven vertrekken van de kwaliteit van de werken. Maar die kwaliteit zit hem niet alleen in de traditionele esthetiek. Ook in de inhoud, de ensemblewaarde, de betekenissen die een werk kan genereren… Die ervaring van intrinsieke schoonheid, een begrip waar veel mensen omheen gaan omdat het wat esoterisch of vaag klinkt, is voor mij meerlagig. Maar dat het museum meer contextueel zal worden dan het voorheen geweest is, ik denk dat dat zeker het geval zal zijn.
Zonder dat we de oorsprong van het museum als museum voor schone kunsten uit het oog zullen verliezen, zijn in zeer verrijkende sessies met de staf al veel zaken naar voren geschoven die door collectiemobiliteit een verrijking kunnen zijn. Niet dat we hier een afzonderlijk departement Kunstnijverheid zullen oprichten, maar bepaalde objecten uit andere collecties kunnen een context geven voor een specifiek ensemble. Dat is duidelijk geworden uit de presentaties van de verschillende conservatoren die we al hebben gezien.
Wij zullen geen Rijksmuseum zijn – we zijn een totaal ander museum met een totaal andere geschiedenis en opdracht – maar de internationale tendens om iets van de context te laten zien, waarvan het Rijksmuseum een van de meest recente en meest geslaagde voorbeelden is, die zal ook hier zichtbaar zijn in het nieuwe museum.”

Kunt u trouwe bezoekers beloven dat ze straks hun lievelingen zullen terugzien?

“Het mooie is dat het museum in zijn volle laat-19de-eeuwse glorie en luister wordt hersteld, maar dat er ook duizenden vierkante meter tentoonstellingsoppervlakte bijkomen. Dankzij onze vernieuwing en uitbreiding zullen we niet alleen de bekende favorieten kunnen laten zien, maar krijgen we ook de mogelijkheid om onze bezoekers een heleboel nieuwe favorieten te laten ontdekken.”

KMSKA-directeur Manfred Sellink in gesprek met Patrick De Rynck. Foto: Marcel Lennartz

KMSKA-directeur Manfred Sellink in gesprek met Patrick De Rynck. Foto: Marcel Lennartz

Wordt de opstelling chronologisch? Thematisch? Is een De Botton met zijn psychologiserende benadering van ‘kunst als therapie’ zoals tijdelijk in het Rijks ook in Antwerpen denkbaar?

“Chronologie zal altijd een gegeven blijven, maar er zullen ook thematische accenten zijn. Ik vond De Botton een interessant, zij het lang niet altijd geslaagd experiment. Ik ben persoonlijk niet overtuigd van de meerwaarde, maar het was een legitiem experiment als tijdelijke tentoonstelling. Je doet bezoekers en conservatoren vanuit een ander perspectief naar kunst kijken. Met tijdelijke tentoonstellingen mag je af en toe prikkelen, de discussie aangaan en oproepen. Dat vind ik geen enkel probleem. Je moet dan wel ook intellectueel zo eerlijk zijn het toe te geven als een experiment wat minder geslaagd is. Maar een aanpak als De Botton voor de permanente collectie, nee, onder mijn directoraat zal dat niet gebeuren, denk ik.”

2019! De plannen

Wat tijdelijke initiatieven betreft, wordt 2019 het jaar van de Bruegeltijd, de 16de eeuw. 2019 is zelfs in het Vlaamse regeerakkoord opgenomen als Bruegeljaar, 450 jaar na zijn dood. De eigen collectie in een internationale context plaatsen: dat is een andere ambitie, met een reeks tentoonstellingen vanaf 2019, zoals u in Brugge heeft gedaan met onder meer ‘Van Eyck en het zuiden’, en zoals ook Robert Hozee in Gent heeft gedaan. En verder komen er ook dossiertentoonstellingen. Mag ik dat behoorlijk traditionele, kunsthistorische plannen vinden?

“Ik sta zeker open voor andere en meer plannen, maar die discussie wil ik met de staf voeren. Als ik kijk naar wat we in Brugge allemaal hebben gedaan, dan zijn daar zowel zeer kunsthistorische tentoonstellingen bij als tentoonstellingen die daar compleet van afweken en redelijk radicaal waren. Maar ik wil dus de staf de mogelijkheid geven om daar ideeën over te formuleren. Nu al voorbeelden geven is zo dwingend.
Wat je noemt zijn certitudes. Zijn die redelijk traditioneel? Ja. Is er iets verkeerd met traditioneel? Nee, absoluut  niet, maar het mag niet het enige zijn. Ik sta absoluut open voor andere accenten en merk dat het ook leeft in de staf. Eén voorbeeld: we hebben iemand als Paul Vandenbroeck in huis, die heel onconventioneel maar intellectueel heel scherp denkt… Er zullen zeker onverwachte zaken gaan komen.”

De timing dan. Het museum opent begin 2019 en eind 2019 is er Bruegel. Is dat geen risico met zo’n grote verbouwing?

“De eerste fase is helemaal op tijd verlopen: het museum is gestript, de betonnen bunker is eruit zoals lezers van ZAAL Z hebben kunnen lezen en zien, en ook alle toevoegingen zijn eruit… Je ziet de 19de-eeuwse grandeur van het gebouw op een prachtige wijze. Sinds december zitten we in de tweede fase: de renovatie en de langzame opbouw van het museum dat van binnenuit met zijn vier enorme binnenplaatsen wordt neergezet. Er zit wat marge en ruimte in de planning.

Zicht op de  museumwerf, foto: Karin Borghouts

Zicht op de museumwerf, foto: Karin Borghouts

Alle betrokkenen die gespecialiseerd zijn in complexe bouwprojecten, verzekeren dat de timing goed zit. Het ziet er echt naar uit dat het gebouw in het voorjaar van 2018 zal worden opgeleverd. We zullen dat gewoon halen en het is ook afgesproken met de minister. En dan hebben we de ruimte om in de winter van 2018-2019 open te gaan. Ook het voorbeeld van de complexe verbouwing van het Mauritshuis zegt dat het kan.”

Oligarchen en sjeiks

Iets anders: nieuwe aankopen zijn voor onze musea zeer moeilijk. U lijkt het zelf niet danig erg te vinden dat Russische oligarchen, Arabische oliesjeiks en nieuwe Chinese rijken kunst opkopen? De collectie verder uitbouwen is een kerntaak van musea, maar het kan nauwelijks…

“Natuurlijk vind ik het jammer dat sommige kunstwerken, zeg de absolute top, buiten het bereik van musea zijn geraakt. Anderzijds is kunst er niet alleen voor musea en openbare instellingen. Het feit dat kunst nu op dit moment – oude kunst, klassiek moderne en actuele kunst – wereldwijd gekocht wordt, vind ik voor de spreiding van dit soort kunst een goede zaak. Blijft natuurlijk het feit dat bedragen van 100 of 150 miljoen nauwelijks nog te bevatten zijn. Maar maakt het uit of een kunstwerk 15 of 150 miljoen waard is? Voor het KMSKA is het in beide gevallen hoe dan ook niet haalbaar.
Men vergeet heel vaak dat de kunstcollecties in Amerika, die nu alom gekoesterd worden als prachtige collecties, eigenlijk van tamelijk recente datum zijn en in een vrij korte periode bij elkaar zijn gebracht, in de late 19de en heel vroege 20ste eeuw, door de echte nouveaux riches van die tijd. Maak je geen illusies: ik vind het Frick een prachtig museum, maar als je weet hoe Frick zijn kapitaal heeft verkregen… Dat was bepaald niet koosjer en de ethiek zal zeker vergelijkbaar zijn met die van de oligarchen van vandaag. Misschien ook omdat ik doceer over de geschiedenis van musea en over collectioneren plaats ik dat in een iets genuanceerder perspectief. Misschien zijn er over dertig of veertig jaar in Rusland of China een aantal publieke of semipublieke collecties die tot de vaste museale internationale waarden behoren.”

U denkt echt in eeuwigheidstermen…

“Ja. Ik zie mijzelf, als conservator of directeur van een museum, als een passant die in een veel langere traditie staat. Ik voeg dingen toe en geef er waarde aan. Maar ik blijf een passant.”

Het Zuid en het M HKA

Ik wil met het museum de buurt vitaliseren, zegt u. Hoe ziet u dat in het huidige Zuid? De buurt lijkt minder ‘hip’ dan enkele decennia geleden…

“Ik ken de context van het Zuid nog onvoldoende en doe daar dus geen uitspraken over, maar er zijn natuurlijk bekende internationale voorbeelden van culturele infrastructuur en musea die een belangrijke rol spelen in de ontwikkeling van een stad, haar aantrekkingskracht vergroten en aanzuigende effecten hebben. Denk aan Bonnefanten in Maastricht. Het hoeft niet altijd het spektakelgehalte van Bilbao te hebben.
Je hebt op het Zuid het KMSKA, het M HKA en het Fotomuseum, en dan noem ik alleen nog maar de musea. Dan heb je, denk ik, een potentie die voor een buurt als vast ankerpunt van de stad Antwerpen heel veel mogelijkheden biedt.”

Een blik op het Zuid, foto Karin Borghouts

Een blik op het Zuid, foto Karin Borghouts

U noemt het M HKA. Dan vallen er wel eens woorden als samenwerking en complementariteit. U spreekt zelf over hedendaagse kunst die in een traditie geworteld is en die je om die reden in het KMSKA kunt tonen. Uw voorganger, Paul Huvenne, vond één museum voor oude en hedendaagse kunst niet onlogisch als je doordenkt, maar daarom niet in hetzelfde gebouw.

“Goh. Is dat nodig? Dat zou een theoretische optie kunnen zijn, maar als je kijkt waar het M HKA voor staat: zij vertrekken van het modernisme en de avant-gardes, ze voeren het debat over kunst in de samenleving… Dat is een heel legitieme invalshoek, die recht doet aan de collectie, maar die moeilijk te implementeren zou zijn in een soort gezamenlijk museum. Ik geloof niet in een soort noodzakelijke superstructuur met één directeur en één visie. Dat zou een eenvormigheid kunnen geven die niet noodzakelijk een verrijking is.
Ik geloof eerder in twee instellingen met een eigen profiel: het M HKA dat zich concentreert op 20ste-eeuwse actuele kunst en de voorlopers daarvan, en een museum dat vertrekt vanuit de oude kunst en laat zien wat die betekent, tot aan de eigen tijd. Op een steenworp afstand van elkaar is dat enorm verrijkend. Als je naar Washington en zijn National Mall kijkt, heb je daar de National Gallery die tot aan de eigentijdse kunst gaat, en een aantal andere instellingen in de buurt die vanuit een ander perspectief ook met actuele kunst bezig zijn. Dat is verrijkend, op voorwaarde dat je naar complementariteit zoekt vanuit je eigen identiteit. Dan krijg je een meerwaarde. Ik zou het overmoedig vinden te zeggen dat we naar een superstructuur moeten gaan.”

Real Thing

The real thing, het origineel als unique selling proposition van musea: u bent ervan overtuigd dat nieuwe generaties hiervoor zullen blijven vallen, zelfs als je je hele collectie online beschikbaar stelt en vrij laat gebruiken. Je ziet die hang naar authenticiteit ook in de muziek. Denk aan het succes van festivals die bijna cultusplekken worden. Of in de literatuur, met de toenemende nood aan direct contact tussen lezers en auteurs…

“Daar ben ik van overtuigd. Alleen: je kunt niet meer zeggen dat mensen nog automatisch komen omdát het the real thing is. Het is de beleveniswaarde en het evenementiële eromheen dat mensen triggert om te komen kijken. De kern is inderdaad de authenticiteit, de objecten waar je als museum over beschikt. Umberto Eco schreef er ook over. Mensen willen het origineel, maar dat is niet het enige. Je moet er iets omheen doen: belevingswaarde creëren, context geven, dynamiseren wat statisch is. Maar de kern blijft de fascinatie voor het origineel. Dat is de voedingsbodem waarvan ik heilig overtuigd ben dat die niet zal verdwijnen, maar waar we wel dynamisch mee om moeten gaan.”

Fascinatie voor het origineel, foto: Jesse Willems

Fascinatie voor het origineel, foto: Jesse Willems

Nonsens

Ik kan in deze context niet anders dan het standpunt vermelden dat de Koninklijke Vlaamse Academie van België voor Kunsten en Wetenschappen recent goedkeurde: voor een verantwoord beheer van ons kunstpatrimonium heet het, en het komt van de heren Roger Marijnissen en Francis Strauven. Heel in het kort: ze vinden dat kwetsbare oude kunst veel te veel moet reizen voor blockbuster- en andere tentoonstellingen, en dat zoiets onvermijdelijk schade veroorzaakt. Die zou door conservatoren worden verzwegen en zelfs toegedekt. Het vele reizen is bovendien onnodig.

“Ik vind het zeer spijtig dat iemand als Marijnissen, die van grote betekenis geweest is met zijn belangrijke publicaties, ook op het gebied van behoud en beheer, een karikatuur van zichzelf is geworden. Het klopt gewoon niet. Natuurlijk hebben wij de plicht zo goed mogelijk om te gaan met het kunstpatrimonium dat wij beheren, maar het klopt niet dat het onverantwoord is om dat tentoon te stellen of te transporteren. Sterker nog: het transporteren van actuele kunst is zelfs nog veel complexer.
Daar zijn een aantal dingen op te zeggen: ik vind het van een verregaande arrogantie te zeggen dat kunst altijd op dezelfde plek moet blijven en dat mensen er maar naartoe moeten reizen. Dat getuigt van een vanzelfsprekendheid die in ieder geval niet de mijne is en die ik weinig democratisch vind. Dat de technologie tentoonstellingen kan vervangen, daar geloof ik absoluut niet in. Daarnaast merk je gewoon dat het draagvlak in een samenleving om veel geld te investeren in musea en het behoud van cultuur niet vanzelfsprekend is. Je moet er continu voor vechten. Tentoonstellingen zijn een van de middelen om de relevantie van het erfgoed te laten zien.
Afgezien daarvan vind ik dat iedere generatie het recht heeft kunstenaars als Rubens en Bruegel opnieuw te ontdekken. Het is niet omdat de heer Marijnissen in de jaren 1950 Bruegel heeft leren ontdekken dat het vervolgens niet aan andere generaties is om hem ook weer te ontdekken. En dan kom ik nog bij iets anders wat door mensen als Marijnissen nauwelijks onderkend wordt: tentoonstellingen genereren ook nieuwe inzichten. Wetenschap is niet alleen plaatjes bij elkaar leggen of op je scherm combineren en daar vervolgens een studie over schrijven. De combinaties van kunstwerken in een zaal, de creatie van ensembles creëert nieuwe inzichten en vragen.
Er zijn dus een heleboel redenen om het wel te doen. Uiteraard moet je steeds de mogelijke risico’s afwegen. Die zijn er overigens ook in een museum zelf: dat wordt vaak over het hoofd gezien. Sommige mensen denken dat er een groot complot is waardoor wij als museumdirecteurs allerlei beschadigingen tijdens transporten verzwijgen: dat is volkomen onzin, van het soort complotdenken dat John Lennon nog in leven is. Nonsens van het grootste soort. Sterker nog: veel beschadigingen aan kunstwerken vinden in eigen huis plaats. De zorg die besteed wordt aan een werk dat getransporteerd zal worden is zo groot dat daar juist de risico’s het minste zijn.”

Zoals de meeste ongevallen thuis gebeuren…

“Precies.”


 “De kern blijft de fascinatie voor het origineel. Dat is de voedingsbodem waarvan ik heilig overtuigd ben dat die niet zal verdwijnen.”


Tot slot: het soort museum waar u naar streeft. U kent de kreet van de dag: participatieve musea! We moeten streven naar horizontale hiërarchieën, kennis moet van overal kunnen komen, cocreatie enzovoort. Je ziet dat met name in stadsmusea gebeuren. Voor een kunstmuseum lijkt het me lastiger: een doorgedreven participatief museum.

“Wat is “participatief”? Het is een trendwoord. In de jaren 1960 en 1970 waren er andere termen. Het komt hierop neer: hoe betrek je niet-vanzelfsprekende doelgroepen bij je museum? Dat is de vraag. Dat is niet iets waar musea nu plotseling mee bezig zijn. Ze zijn er al sinds de jaren 1960 intensief mee aan het werk. De eerste studies daarover dateren zelfs uit de jaren 1920 in de Angelsaksische landen, en vanaf de jaren 1960 zie je ook op het continent, ook in België en Nederland, musea zeer actief op zoek gaan. De zoektocht is nu een andere, en de antwoorden ook, voor een deel omdat de maatschappij verandert.”

Gaat het niet verder: mensen die zelf tentoonstellingen mogen samenstellen, op de stoel van de conservator gaan zitten…? U kent het wel.

“Ik denk dat het kan, als tijdelijk experiment. Maar een museum richt je niet in door je bezoekers te vragen hoe je een museum moet inrichten. Je kunt wel met bepaalde doelgroepen werken en vragen hoe zij een museum zien en kleine educatieve experimenten doen. Dat zijn zeker mogelijkheden, maar dan mogelijkheden die rondom je permanente opstelling gebeuren.
Onze heilige opdracht moet zijn: hoe betrek je zoveel mogelijk mensen bij je museum? Dat is nu complexer geworden: het publiek is niet alleen groter, maar ook veel meer divers, met totaal andere culturele achtergronden. Terecht zijn er vanuit de samenleving grotere verwachtingen om niet-traditionele doelgroepen zoals slechtzienden, achterstandsgroepen, mindervaliden… te bereiken. Je moet dan naar strategieën zoeken om die mensen te interesseren. Maar ik geloof niet in een museum dat gericht is op de vraag, wel in een museum dat actief is.
Studies wijzen uit dat een deel van de antwoorden ligt in wat met een ander trendwoord community outreach heet: projecten van musea en culturele instellingen die zich afspelen buiten het museum en in samenwerking met buurten, scholen, het verenigingsleven. Bedoeling is hen te interesseren voor wat in het museum gebeurt. Eén ding is voor mij altijd het criterium: we mogen het publiek niet onderschatten. Participatie is niet het niveau verlagen, maar de kwaliteit nog verhogen en zorgen dat je publiek mee is met de verhalen die verteld worden.
Wat we in Brugge gedaan hebben, waren soms zeer complexe tentoonstellingen waar we toch een groot publiek mee bereikten. Dat is voor mij de uitdaging: kwaliteit staat voorop. Ik geloof niet in tentoonstellingen waarvan je als directeur of conservator denkt dat je tegemoet komt aan wat je denkt dat de publieksverwachting moet zijn. Je moet nadenken welke verhalen je wil vertellen en via marketingtechnieken, publiekswerking, outreachprojecten, participatieve projecten… nagaan hoe je aan een zo groot mogelijke groep mensen je verhaal kunt vertellen.”

Het KMSKA gaat de stad in, gaat Vlaanderen in. Buiten de muren, zoals nu eigenlijk gebeurt.

“Ja, en dat is verrijkend voor het museum. Dat is zeker. Ere wie ere toekomt: Paul Huvenne en zijn medewerkers hebben met “Dicht maar dichtbij” een heel mooie strategie bedacht om het museum toch te laten leven. Daar zijn een heleboel lessen en ervaringen uit gehaald die we gaan meenemen in het nieuwe museum.”

Zegt dat iets over het toekomstige beleid?

“Zeker. Dat programma heeft bij de staf – publiekswerking, marketing, de wetenschappelijke staf – veel ideeën gecreëerd die volgens mij een dynamiek op gang gebracht hebben die ook na 2019 echt zichtbaar zal blijven.”

Coda

Helemaal tot slot een vraag die ik in deze stad moet stellen: kan kunst de wereld redden?

“Nee. Kunst kan de wereld niet redden. Kunst kan het wel voor een deel aangenamer maken en kan ook vragen stellen, prikkelen. Waardoor je de wereld misschien iets beter kunt begrijpen en er een aangenamer plek van maken. Maar dat kunst de wereld kan redden: nee, daar geloof ik niet in.”

Patrick De Rynck is freelanceredacteur en schrijft over erfgoed, schilderkunst en de klassieke oudheid.

Standaard

Een gedachte over “Manfred Sellink: Hoe blijf je als museum relevant?

  1. Pingback: Het nieuwe KMSKA | Het KMSKA blogt

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s