Tentoonstellingen

Wie is Bertha van Antwerpen?

Een portret van de legendarische Asta Nielsen als tragische lichtekooi op jaren door Pyke Koch

In de expo Onwaarschijnlijk echt. Magisch realisme en nieuwe zakelijkheid brengt Herwig Todts neorealistische werken uit de collecties van het Gemeentemuseum Den Haag, Museum Plantin-Moretus/Prentenkabinet en het KMSKA samen. Op de museumblog gaat hij geregeld in op een aspect van de tentoonstelling. Starten doet hij met een zoektocht naar de ware identiteit van Bertha van Antwerpen, de intrigerende vrouw die het campagnebeeld van de expo siert. 

Campagnebeeld Onwaarschijnlijk echt. Magisch realisme en nieuwe zakelijkheid

Campagnebeeld Onwaarschijnlijk echt. Magisch realisme en nieuwe zakelijkheid

Neem een schilder als Pijke Koch, ongetwijfeld één der intelligentste van ons land (…) maar voor de rest interesseert mij Koch als schilder en niet als intelligent mensch. Zijn kennis van het “coeur humain”, zoals die uit Bertha van Antwerpen tot den beschouwer spreekt, kan mij maar een bitter beetje schelen, als ik de picturale qualiteiten van dit doek onderga…

Menno ter Braak, Het Schrijverspalet, 1932

Asta Nielsen (Kopenhagen 1881 – Frederiksburg 1972) wordt beschouwd als de allereerste grote filmster. Ze werkte aanvankelijk als actrice in het theater in Kopenhagen. Inmiddels waren – min of meer onafhankelijk van elkaar – omstreeks 1893/95 in New York, Chicago, Berlijn en Parijs uitvinders bezig met het ontwikkelen van toestellen om  bewegende filmbeelden te projecteren. Het meest geschikte toestel was de cinématographe van Auguste en Louis Lumière. In 1895 werden de eerste betalende filmvertoningen georganiseerd. Spoedig begon her en der in Europa en Amerika de productie van korte, stomme speelfilms: komedies, tragedies, avonturenfilms en animatiefilms van 10 à 15 minuten, zonder klank. Vanaf 1910 werden ook lange, “avondvullende” speelfilms van meer dan 60 minuten gemaakt. Asta Nielsen ontmoette filmregisseur Peter Urban Gadd (een neef van Paul Gauguin, die met een Deense gehuwd was). Samen draaiden ze van 1909 tot 1915 tal van langspeelfilms. Afgrunden (1910), haar debuut, verwekte meteen schandaal omwille van de vaak gecensureerde, onverhuld sensuele dansscène.


“Die Asta”, wereldwijd een ster, geliefd door het grote publiek en bezongen door Guillaume Appolinaire en de artistieke avant-garde. Ook in Antwerpen telde zij met o.a. Paul Joostens, Paul Van Ostaijen en Frank Van den Wijngaert (vriend van Henry Van Straten) heel wat fans.

Pyke Koch maakte drie keer gebruik van Asta Nielsen in een gedaante die duidelijk ontleend was aan haar verschijning in haar laatste film Dirnentragödie. Daarin spelen zij en de jonge Greta Garbo prostituees. Asta is Auguste, een oudere, illusieloze straatmadelief. Koch heeft het portret van Asta op twee verschillende foto’s gebaseerd. Uit de ene foto heeft hij haar hoofd met het kleine hoedje met grote veren gekozen. Het andere beeld komt uit de film en heeft Koch gebruikt voor de kleding. In het vroege portret lijkt Asta een jonge vrouw en contrasteert de rode bloem met haar surreële groene huidskleur. Als Bertha van Antwerpen heeft Asta Nielsen een verouderingsproces ondergaan, en heeft Koch de verhoudingen van het gelaat op een wat karikaturale wijze veranderd: de ogen lijken groter dan ooit, de ruimte tussen de neus en de mond is onwaarschijnlijk groot.

De straatmadelieven in het leven van Koch

Dat Bertha van Antwerpen een prostituee voorstelt, wordt – voor zover bekend – door niemand betwist. Pyke Kochs goede vriend, de dichter Martinus Nijhoff, maakte voor het huwelijk (!) van Pyke Koch in 1934 volgend gelegenheidsgedicht:

Op een hoek van een straat / Een straat in de stad / Tot al wie daar gaat / ‘Kom hier’ roep ik, ‘schat’.
En de veer op mijn hoed / En mijn bloem van fluweel / En mijn zachte groet / Vermag veel, vermag veel.
Twaalf is een dozijn – Er nadert een man / Die geholpen wil zijn / En ik helpen niet kan.
(…)
Ik loop met hem mee
(…)
Maar dan onverwacht / Zooals tooveren gaat, / Ben ik thuisgebracht / Ik sta in mijn straat.
Een blind links en rechts, / Een muur met een goot, / Het is ik, die heks, / Het is ik, levensgroot.
O mijn oud, oud hoofd / Is zoo oud omdat / Het den hemel belooft / En de hel bevat.
Een vrouw heeft een zoon / En die zoon (…) / En sterft in haar schoot.
(…)
Bertha, Bertha dan, Is al wat hij zegt / Terwijl hij zijn wang / Aan mijn blouse legt.

 Martinus Nijhoff, Verzamelde Gedichten (Amsterdam 2001)

Misschien inspireerde de film Dirnentragödie Koch tot het maken van dit schilderij. Maar straatmadelieven spelen in zijn vroege oeuvre ook al een belangrijke rol. Pieter Christian Koch woonde tijdens zijn jeugd in de Nijmeegse “hoerenstraat”: de Pykestraat. Vermoedelijk ontleende hij daaraan zijn artiestennaam. Omstreeks 1929 had Koch een relatie met een 48 jaar oude vrouw. Zelf was hij 28. Beide getallen spelen een ondergeschikte rol in het schilderij Achterbuurtrapsodie (Stedelijk Museum Amsterdam) waarin eveneens wordt gezinspeeld op prostitutie.  Zou het opvallende huisnummer “12” in Pyke Kochs portret van Bertha van Antwerpen – voor een muur met regenpijp en tussen twee houten vensterluiken – een betekenis hebben?

Pyke Koch, Bertha van Antwerpen (detail)

Pyke Koch, Bertha van Antwerpen (detail)

Blijft eveneens de intrigerende vraag waarom Asta Nielsen hier, in de gedaante van een “verlepte straatmadelief”,  Bertha van Antwerpen heet. Waar komt die naam vandaan? Gaat het om Bertrade, burggravin van Antwerpen, echtgenote van de 13de eeuwse Brabantse edelman Arnold IV van Diest?

MEER LEZEN: Bjorn GABRIELS, Asta: kinoster en verlepte hoer

Advertenties
Standaard

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s