“Ingelijst achter glas zal het schilderij volledig tot zijn recht komen”

Dankzij de briefwisseling van James Ensor kunnen de onderzoekers van het Ensor Research Project veel te weten komen over de artistieke keuzes van de kunstenaar.

Ensor bij de piano in zijn atelier – 22 juni 1937 (detail)een achter glas ingelijst werk achter het hoofd van de kunstenaar.

Ensor bij de piano in zijn atelier – 22 juni 1937 (detail) een achter glas ingelijst werk achter het hoofd van de kunstenaar.

Om schilderijen te beschermen worden ze soms achter glas ingelijst. Dat kan een restaurator ook toelaten om een schilderij niet van een vernislaag te voorzien. Daarvoor zouden esthetische en historische argumenten kunnen worden aangehaald. Ensor heeft zich in zijn briefwisseling wel eens uitgesproken over het effect van schilderijen achter glas. Hij vond het effect van spiegelend glas af en toe wel interessant. Zo schrijft hij aan de Antwerpse verzamelaar Cleomir Jussiant:

“Ingelijst achter glas zal het schilderij volledig tot zijn recht komen.”

Op sommige foto’s van kamers in Ensors tweede woning in de Vlaanderenstraat (het huidige Ensormuseum) kunnen we duidelijk kunstwerken aanwijzen die achter glas zijn ingelijst.

In zijn artikel voor het Ensor Research Project gaat Dr. Herwig Todts hier verder op in.

Belgische charmeurs en Nederlandse modernisten in vollen fleur

Met de expo Onwaarschijnlijk echt. Magisch realisme en nieuwe zakelijkheid bracht curator Herwig Todts neorealistische werken uit de collecties van het Gemeentemuseum Den Haag, Museum Plantin-Moretus/Prentenkabinet en het KMSKA samen. Op zondag 31/8 sluit de expo definitief de deuren. De voorbije maanden blogde de curator geregeld over een aspect van de tentoonstelling. Afsluiten doet hij met een blik op de verhouding België-Nederland op vlak van neorealistische kunst.

Pyke Koch kust E.L.T. Mesens kust Charley Toorop. (Beeldbank Amsterdam)

Pyke Koch kust E.L.T. Mesens kust Charley Toorop. (Beeldbank Amsterdam)

Volgens professor Saskia de Bodt was Brussel voor Nederlandse kunstenaars in de loop van de 19de eeuw hét avant-gardecentrum halverwege Parijs. Kunstenaars als Willem Roelofs, de gebroeders David en Pieter Oyens, Jan Toorop en Vincent van Gogh werden aangetrokken door de trendgevoelige Brusselse kunstwereld. Roelofs en de Oyensen verbleven vele jaren in de Belgische hoofdstad, voor Toorop en Van Gogh was het slechts een tijdelijk verblijf.

Ook op tentoonstellingen in Den Haag konden kunstenaars, liefhebbers en kenners kennismaken met de “vingtisten”, de leden van de vooruitstrevende Brusselse kunstenaarsvereniging Les XX. Het succes van “de stomheid der Belgen, die ons in Holland verneuken willen”, was evenwel een doorn in het oog van Roland Holst en architect Berlage. Die laatste vond dat de Belgische kunstenaars “charmeurs” waren.

Brussel geeft de fakkel door

Het wordt vandaag maar nauwelijks erkend maar de Brusselse kunstwereld verloor haar belangstelling voor radicale artistieke vernieuwing omstreeks 1900. In de Lage Landen werd de fakkel van de avant-garde, voor meer dan een halve eeuw, overgenomen door Den Haag en Amsterdam. Literator en kunstcriticus Andre De Ridder verbleef tijdens de Eerste Wereldoorlog in Amsterdam en schreef achteraf:

“Terwijl we in ons land voorttrappelen in de sinds jaren begane wegen van het impressionisme en het néo-impressionisme, die ons naar gene nieuwe indrukken meer kunnen leiden, is er in Holland een prachtige modernistische beweging in vollen fleur […].”

De Ridder had tijdens de Grote Oorlog niet alleen een veilig verblijf in Nederland gevonden. Hij leerde er ook de nieuwe kunst van Picasso, Chagall, Franz Marc, Le Fauconnier en de Franse kubisten kennen in Amsterdam. Net als enkele andere landgenoten zoals Gust De Smet, Frits Van den Berghe, Henri Van Straten, Willem Paerels en Georges Van Raemdonck. Die laatste was overigens een zeer populair illustrator en tekende voor De (Groene) Amsterdammer politieke spotprenten. Samen met A. M. de Jong maakte hij van 1922 tot 1937 stripverhalen voor de socialistische krant Het Volk: De avonturen van Bulletje en Boonestaak. Die lagen overigens aan de basis van het allereerste jeugdfeuilleton dat de NIR – de voorganger van de VRT – in 1955 uitzond.

De wereldreis van Bulletje en Boonestaak

De wereldreis van Bulletje en Boonestaak

Charley Toorop in Brussel en Parijs

Terug naar Andre De Ridder die tijdens zijn verblijf in Amsterdam vriendschap sloot met de dochter van Jan Toorop: Charley. Hij vond haar werk “vaak heerlijk-primitief van gevoel en uitbundig van fantasie”. Toorop was in die jaren vaak in Brussel, ze schilderde een min of meer kubistische portret van Norine de echtgenote van “kunstpaus” Paul-Gustave Van Hecke, die samen met De Ridder de belangrijke Brusselse Galérie Sélection leidde. In Brussel maakte zij ook kennis met componist, dichter en kunsthandelaar E.L.T. Mesens die prompt verliefd werd op Charley. Dankzij De Ridder en Van Hecke kon Toorop niet enkel in Brussel maar ook in Parijs tentoonstellen.

Charley Toorop

Charley Toorop

De tentoonstelling “Onwaarschijnlijk echt” was een verkenning van allerlei neorealistische trends in de kunst van het interbellum. De schilderijen in de tentoonstelling zijn afkomstig uit drie museumverzamelingen: die van het Haags gemeentemuseum, Museum Plantin-Moretus/Prentenkabinet en die van het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen. De tentoonstelling illustreert de veelvuldige contacten tussen kunstenaars uit Nederland en België. Maar het is duidelijk dat er geen sprake kan zijn van een soort van neorealistische eenheidskunst in de Lage Landen.

Herwig TODTS

Verder lezen

  • Saskia de Bodt, Halverwege Parijs. Willem Roelofs en de Nederlandse schilderskolonie in Brussel 1840-1890, Gent: Snoeck-Ducaju & Zoon, 1995
  • Marc Lambrechts, Lieske Tibe, Piet Boyens, Johan De Smet, John Steen, Verwantschap en Eigenheid. Belgische en Nederlandse kunst 1890 – 1945, Amsterdam University Press, Marot Tijdsbeeld, 2002
  • Saskia de Bodt en Frank Hellemans, Taverne du Passage. Nederlandse schilders en schrijvers in België, Rekkem: Ons Erfdeel, 2006
  • August Hans den Hoef & Sjoerd van Faassen, Van De Stijl en Het Overzicht tot De driehoek. Belgisch-Nederlandse netwerken in het modernistische interbellum, Antwerpen-Apeldoorn: Garant, 2013.

De zomer van James Ensor: “Tijdens het toeristisch seizoen kan ik niet afzijdig blijven.”

Het Ensor Research Team last tijdens de zomermaanden kort een pauze in. Geen artikel dus deze maand, maar wel een blogbericht waarin de onderzoekers belichten hoe James Ensor zijn zomers doorbracht.

De winkel van oom Leopold Haegheman, waar Ensor gaat wonen in 1917

De winkel van oom Leopold Haegheman, waar Ensor gaat wonen in 1917

Zomer in Oostende, koningin der badsteden. De kunstwereld draait verder maar Ensor is tijdens het toeristische seizoen immer als middenstander bedrijvig aan de zijde van zijn moeder in de winkel die ze uitbaatte. Die winkel is voor het hele gezin de belangrijkste bron van inkomsten. In tal van brieven en losse notities zijn opmerkingen te sprokkelen die aantonen hoezeer Ensor tijdens het zomerseizoen in beslag werd genomen door de verhuur van gemeubelde kamers aan toeristen en het mee uitbaten van de winkel. In oktober 1908 excuseert hij zich bij zijn vriend, de Luikse journalist Isi Collin, voor het feit dat hij onmogelijk etsen kan bezorgen voor een tentoonstelling in Luik. Ensor heeft absoluut geen tijd om naar Brussel te gaan om nieuwe afdrukken te laten maken. Tijdens het toeristische seizoen kan hij zich immers niet aan zijn verplichtingen onttrekken.

“Quant à l’exposition d’eaux-fortes, pas moyen de la faire en ce moment. Je n’ai pas assez d’épreuves actuellement. Je n’ai pas de presse et dois pour chaque tirage me rendre à Bruxelles pour guider le tireur. Je n’ai pu m’abstenter au cours de la saison.”

- Ensor aan Isi Collin, 7 oktober 1908

Commerce de coquillages

Het Koninklijk Museum bewaart het unieke afschrift van een brief van Ensor aan de Antwerpse kunstenaar Frans Hens die hem in 1920 uitnodigt om deel te nemen aan het salon van de tentoonstellingsvereniging Kunst van heden / L’art contemporain. De kunstenaar is na de dood van zijn moeder, zijn tante en zijn oom, verhuisd naar de voormalige winkel van oom Leopold Haegheman. Op het moment dat hij de brief naar Hens schrijft is hij 60, een succesrijk kunstenaar en kennelijk nog steeds actief in het toeristische bedrijf. Hij wordt immers in beslag genomen door allerlei commerciële bezigheden en familiale zorgen.

“Duizend excuses!”, schrijft hij aan Frans Hens. “Ja ik heb uw vriendelijke brieven ontvangen maar ik word volledig in beslag genomen, verlamd, door uiteenlopende moeilijkheden en familieverdriet, enzovoort enzoverder, en ik moet alles doen: de schelpenverkoop, het verhuur van het appartement, het huishouden. Men maakt mij voor alles verantwoordelijk. Wat een toestand voor een gevoelig kunstenaar.”

“Mille excuses! Oui j’ai reçu vos bonnes lettres mais je suis bien pris ici, des ennuis multiples, des chagrins de famille, etc. etc. me paralysent, et je dois tout faire: commerce de coquillages, location d’appartement, ménage. On me laisse toutes les charges. Quelle situation pour un artiste sensible.”

- Ensor aan Frans Hens 7 april 1920

HERWIG TODTS, KAREN BONNE, NANNY SCHRIJVERS

Afgevoerd wegens gebrek aan onderhuids modernisme

In de expo Onwaarschijnlijk echt. Magisch realisme en nieuwe zakelijkheid brengt curator Herwig Todts neorealistische werken uit de collecties van het Gemeentemuseum Den Haag, Museum Plantin-Moretus/Prentenkabinet en het KMSKA samen. Op de museumblog gaat hij geregeld in op een aspect van de tentoonstelling. Vandaag bekijkt hij twee werken die de tentoonstelling niet haalden, maar hem toch intrigeren.

Gustaaf De Bruyne (Mechelen 1914 – 1981 Poederlee), Boomstronk, ets (2de staat), 225 x 175 mm, inv. 3229

Gustaaf De Bruyne (Mechelen 1914 – 1981 Poederlee), Boomstronk, ets (2de staat), 225 x 175 mm, inv. 3229

De tentoonstelling Onwaarschijnlijk echt vraagt aandacht voor magisch, zakelijk en andere soorten van neorealisme uit het interbellum in België, Nederland en elders in Europa. Het gemeenschappelijke kenmerk van al deze vormen van realisme is het onderhuidse modernisme dat hier en daar opduikt in de vormgeving en de iconografie van de tentoongestelde werken. Gustaaf De Bruyne was een tijdgenoot van Gustave Van De Woestijne en Charley Toorop en zijn werk is uitgesproken realistisch. Toch werd hij niet voor de tentoonstelling geselecteerd. Niet alleen omdat de beperkte ruimte in de Koningin Fabiolazaal ons noopt tot kieskeurigheid. Maar ook omdat het zogenaamde onderhuidse modernisme in het werk van De Bruyne maar zwakjes aanwezig is. De ets Boomstronk illustreert dat. De Bruyne beheerst de knepen van het realisme haast virtuoos en wekt moeiteloos de indruk dat hij de werkelijkheid tot in de kleinste details kan weergeven: gras en onkruid aan de voet van de restanten van een knoestige, nagenoeg dode boom; de prikkeldraad met hier en daar zelfs een plukje droog gras. Volgens de Nederlandse neorealist Pyke Koch is het magisch realisme een poging om een onwaarschijnlijk maar ogenschijnlijk waarheidsgetrouw beeld te maken (terwijl het surrealisme een onmogelijke werkelijkheid uitbeeldt). Je kan de compositie van De Bruyne niet zonder meer “onwaarschijnlijk” noemen. Maar de raaf, de prikkeldraad, de stervende boom en de spin in het web,… Al deze elementen zijn toch zeer nadrukkelijk aanwezig. Heeft het beeld dan een allegorische bedoeling? Is de raaf een teken van het kwaad, brenger van slechts nieuws of symbool voor vrijwillige eenzaamheid? Verwijst de prikkeldraad naar Christus’ doornenkroon?

Visuele allegorie?

Gustaaf De Bruyne, Camille Huysmans en Reinaert de Vos, 1947. Paneel 46 x 30 cm. KMSKA inv. 3234

Gustaaf De Bruyne, Camille Huysmans en Reinaert de Vos, 1947. Paneel 46 x 30 cm. KMSKA inv. 3234

Ook in Van den Vos Reynaerde speelt Tiecelijn, de raaf, een belangrijke rol. Gustaaf De Bruyne heeft zich meermaals laten inspireren door het oude dierenepos. Het museum beschikt bijvoorbeeld over het portret dat De Bruyne van de grote socialistische staatsman Camille Huysmans schilderde. De Bruyne toont Huysmans in het gezelschap van een (wijze) uil, een (sluwe) vos en een meeuw. De meeuw zou een symbool van “liefde voor de vrijheid” kunnen zijn maar in een brief aan Huysmans schreef De Bruyne dat de meeuw stond voor de broosheid van de regering die door Huysmans in 1946 werd geleid. Dat de raaf, de prikkeldraad, de dode boom, en de spin in het web bij Boomstronk onderdelen zouden zijn van een visuele allegorie is dus zeer goed mogelijk. Maar de precieze samenhang ontgaat mij voorlopig. Suggesties zijn dus welkom! Boomstronk was overigens een van de 5 werken van De Bruyne die de dochters van Camille Huysmans, Sara en Marthe, aan het KMSKA gelegateerd hebben.

Herwig TODTS

Herman Teirlinck volgens Frits Van den Berghe

In de expo Onwaarschijnlijk echt. Magisch realisme en nieuwe zakelijkheid brengt curator Herwig Todts neorealistische werken uit de collecties van het Gemeentemuseum Den Haag, Museum Plantin-Moretus/Prentenkabinet en het KMSKA samen. Op de museumblog gaat hij geregeld in op een aspect van de tentoonstelling. Vandaag staat hij stil bij de tekening die Frits Van den Berghe van Herman Teirlinck maakte.

De vormgeving van een visuele voorstelling of de stijl van een tekening, schilderij of beeld is afhankelijk van veel factoren. Er zijn mensen die geloven dat de stijl de tijd waarin het kunstwerk is ontstaan weerspiegelt of uitdrukt. Anderen geloven dat de persoonlijkheid, het temperament of zelfs het onderbewustzijn van de maker wordt uitgedrukt in de vormgeving van een beeld. Al te vaak vergeten we dat de stijl van een beeld afhankelijk kan zijn van twee andere factoren: de vaardigheid van de kunstenaar en de redelijke keuzes die hij kan maken. Frits Van den Berghe heeft in de loop van zijn artistieke bedrijvigheid diverse stijlen beoefend. Voor de Eerste Wereldoorlog schilderde hij prachtige laat-impressionistische, ietwat raadselachtige beelden. Na de oorlog kiest hij net zoals andere zogenaamde Vlaamse expressionisten voor een figuratieve post-kubistische of kubo-expressionistische kunst. Vanaf het einde van de jaren 1920 gaat hij irreële, soms groteske voorstellingen maken, waarvan de informele, wat experimentele vormgeving geassocieerd wordt met het surrealisme. Van den Berghe maakte karikaturen voor het socialistische dagblad De Vooruit en publiceerde samen met een collega van de krant, dichter Richard Minne, het stripverhaal Brieven van Pierken.

Gedeelde voorkeur voor artistieke vernieuwing

Herman Teirlinck (1879-1967) was een leeftijdsgenoot van Van den Berghe, maar hij vertoefde als leraar Nederlands van de Belgische prinsen en als raadsheer van de koningen Albert I, Leopold III en Boudewijn, in heel andere kringen. Teirlinck, als toneelschrijver, en Van den Berghe deelden wel een uitgesproken voorkeur voor artistieke vernieuwing. Teirlinck publiceerde geregeld en werd herhaaldelijk gevierd. Hij werd o.m. doctor honoris causa aan de Vrije Universiteit van Brussel in 1938. Er waren dus vele gelegenheden die een portret van de man konden rechtvaardigen. Omdat de vormgeving van een onderwerp vaak de functie volgt, koos Van den Berghe voor een natuurgetrouwe weergave van de gelaatstrekken, schaduwen die het volume beklemtonen, scherp getekende rimpels en gelaatsplooien en lichtreflecties op de onderlip, de neustop, de pupillen en de brillenrand, die het naturalisme versterken. Hoewel de omtreklijn van het gelaat, langs de wang ononderbroken doorloopt in de kraag van het hemd. Misschien wilde Van den Berghe zo herinneren aan het kunstmatige, tweedimensionale karakter van de tekening. Laat-realistische tijdgenoten van Van den Berghe, zoals Albert Van Dijck en andere zogenaamde animisten, zouden zoiets in ieder geval nooit doen.

Frits Van den Berghe, Portret van Herman Teirlinck, Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen

Herman Teirlinck is uw man

Herman Teirlinck (1879-1967) nam in 1925 voor de eerste en enige keer deel aan de parlementaire verkiezingen in België. Hij kwam op voor de Liberale Volksbond Brussel. Op zijn verkiezingsaffiche roept hij de politieagenten van “Groot-Brussel” op om voor hem te stemmen.

“Ook voor U is het van beteekenis vertegenwoordigd te zijn door iemand die U waardeert en die uwe sympathie verdient! Herman Teirlinck is uw man. … een demokraat; een talentvol redenaar; een letterkundige van Europeesche bekendheid; een Hoogstaand kunstenaar. De politiek van Herman Teirlinck is vrede in den lande, vooruitgang en volksbeschaving …”

Teirlinck werd niet verkozen maar hij heeft (theaterliefhebbers weten dat) als niet-politicus meer gerealiseerd dan sommige politieke collega’s en concurrenten die toen wel een mandaat veroverden. Hij had geen talent voor het behalen van diploma’s. Hij heeft niettemin in het hoger onderwijs, als adviseur van de koningen Albert I en Leopold III en als verdediger van de culturele autonomie van Wallonië en Vlaanderen, een belangrijke rol gespeeld in België. Uitgeverij Manteau publiceerde van 1960 tot 1969 in 8 delen en meer dan 6000 bladzijden, alle verhalen, theaterteksten en essays die hij geschreven heeft.

Herwig TODTS

Onwaarschijnlijk echte soundtrack 3/3

In de expo Onwaarschijnlijk echt. Magisch realisme en nieuwe zakelijkheid brengt Herwig Todts neorealistische werken uit de collecties van het Gemeentemuseum Den Haag, Museum Plantin-Moretus/Prentenkabinet en het KMSKA samen. Hij maakte ook een afspeellijst op Spotify met muziek die je om uiteenlopende redenen aan de tentoonstelling kan linken.

In concert- en populaire muziek van de jaren 20 en 30 kan je heel wat aanknopingspunten vinden met de schilderijen en prenten die je in de tentoonstelling Onwaarschijnlijk echt te zien krijgt. De afspeellijst die ik samenstelde is uiteraard onvolkomen, eenzijdig en getuigt onvermijdelijk van mijn persoonlijke muzieksmaak. Luister, lees de korte toelichtingen die ik bij elkaar heb gesprokkeld en trek vervolgens naar de expo om daar de link met de kunstwerken zelf te ontdekken.

HERWIG TODTS

Eerder gaf Todts al toelichtingen bij andere nummers die aan bod komen in de afspeellijst. Ga naar deel 1 en deel 2

 

Ragtime

ragtime

Ragtime ontstond in de Afro-Amerikaanse uitgangsbuurten van St. Louis en New Orleans op het einde van de 19de eeuw.  Een van de bekendste componisten was Scott Joplin. Karakteristiek is de combinatie van eenvoudige marsmuziek met typisch Afrikaanse, verrassende ritmische accenten, die ook terugkeren in de muziek waarop in de jaren 20 de charleston werd gedanst. De Broadway Rag van Bob Wilson and his Varsity Rythm Boys is daarvan een voorbeeld.

Hoagy Carmichael – Georgia on my Mind

Hoagy Carmichael

Hoagy Carmichael

Hoagy Carmichael (Bloomington 1899 – 1981) is een van de populairste Amerikaanse componisten van zogenaamde “standards” zoals Georgia on my Mind. Dat is één van de vele liedjes van Carmichael waarmee populaire zangers uit de hele 20ste eeuw – van Billy Holiday, Bing Crosby, Dean Martin, Ella Fitzgerald, Ray Charles en Louis Armstrong tot Willie Nelson en Alicia Keys – in uiteenlopende populaire muziekstijlen een hit scoorden.

Fred Astaire – Putting on the Ritz

Fred Astaire – Puttin’ On The Ritz from Evgeny Demchenko on Vimeo

Fred Astaire (Frederick Austerlitz, Omaha 1899 – 1987 Los Angeles) was gedurende tientallen jaren een ontzettend populaire zanger en filmster. Zijn versies van liedjes zoals Putting on the Ritz zijn vaak de meest bekende. Al was het Irving Berlin die het liedje in 1929 schreef. Oorspronkelijk was het een satire op de gewoonte van de arme Afro-Amerikaanse inwoners van Harlem om hun laatste geld uit te geven aan modieuze kledij. Later werd een versie afgestemd op blanke dandy’s populair.

Have you seen the well-to-do, up and down Park Avenue (…) with their noses in the air (…) Spending every dime, for a wonderful time (…) Why don’t you go where fashion sits / Puttin’ on the ritz. // Different types who wear a daycoat, pants with stripes (…) Dressed up like a million dollar trouper  (…).

 

Paul Hindemith – Kammermusik No. 5, Op. 36, No. 4: Langsam

Paul Hindemith

Paul Hindemith

Paul Hindemith (Hanau 1895 – 1963 Frankfurt am Main) was een altviolist en componist. De “klassieke” concertmuziek onderging tijdens de decennia voor en na 1900 een fundamentele omwenteling. De “emancipatie van de dissonant” bracht Arnold Schönberg tot de uitvinding van het atonale twaalftoonstelsel. Min of meer analoog bracht “de emancipatie van het ritme” Igor Stravinsky met Le Sacre du Printemps (1913) tot  de creatie van stuk zonder doorlopende metrische samenhang – de maatsoort verandert onophoudelijk. Hindemith experimenteerde met combinaties van neoclassicistische vormen en min of meer onderhuids modernistische muzikale vernieuwingen.

Meer info: www.cobra.be/cm/cobra/muziek/1.1810148

Onwaarschijnlijk echte soundtrack 2/3

In de expo Onwaarschijnlijk echt. Magisch realisme en nieuwe zakelijkheid brengt Herwig Todts neorealistische werken uit de collecties van het Gemeentemuseum Den Haag, Museum Plantin-Moretus/Prentenkabinet en het KMSKA samen. Hij maakte ook een afspeellijst op Spotify met muziek die je om uiteenlopende redenen aan de tentoonstelling kan linken.

In concert- en populaire muziek van de jaren 20 en 30 kan je heel wat aanknopingspunten vinden met de schilderijen en prenten die je in de tentoonstelling Onwaarschijnlijk echt te zien krijgt. De afspeellijst die ik samenstelde is uiteraard onvolkomen, eenzijdig en getuigt onvermijdelijk van mijn persoonlijke muzieksmaak. Luister, lees de korte toelichtingen die ik bij elkaar heb gesprokkeld en trek vervolgens naar de expo om daar de link met de kunstwerken zelf te ontdekken.

HERWIG TODTS

Eerder gaf Todts al toelichtingen bij andere nummers die aan bod komen in de afspeellijst. 

 

Francis Poulenc – Quatre Chansons pour enfants (FP 75)

Album cover Poulenc

Album cover Poulenc

Francis Poulenc (Parijs 1899 – 1963) studeerde piano. Als componist was hij autodidact. Voor de Eerste Wereldoorlog sloot hij vriendschap met avant-garde dichters als Guillaume Apollinaire. Voor de Ballets Russes van Serge Diaghilev componeerde hij in 1923 Les biches. Poulenc had een grote belangstelling voor muzikale vernieuwingen en werd bewonderd door Igor Stravinsky. Toch bleef hij trouw aan de tonale harmonie. In 1934 componeerde hij de Quatre Chansons pour enfants (FP 75) op teksten van Jean Nohain.

Hanns Eisler – No. 2. Notturno

Hanns Eisler (Leipzig 1898 – 1962) was een van de eerste leerlingen van Arnold Schönberg die gebruik maakte van de atonale twaalftonen-compositietechniek. Eisler vestigde zich in Berlijn. Hij werkte o.a. samen met Bertold Brecht. Zijn belangstelling voor het Marxisme groeide hand in hand met zijn liefde voor populaire muziek en jazz. Eisler schreef het Solidaritätslied e.a. socialistische strijdliederen. Hij verliet nazi-Duitsland in 1933 en vestigde zich in de Verenigde Staten waar hij als “the Karl Marx of Music”, tijdens de Koude Oorlog slachtoffer werd van de Commissie van on-Amerikaanse Activiteiten. Daarop vestigde hij zich in Oost-Duitsland.

Kurt Weill – The Song of Mandalay

Kurt Weill (Dessau 1900 – 1950 New York) was van meet af aan sterk geïnteresseerd in muziektheater en vond in Bertold Brecht en actrice Lotte Lenya de geschikte mensen om meermaals samen te werken. Weill combineerde een laatromantische muzikale opvattingen met een grote liefde voor variétémuziek en jazz. Met Bertold Brecht schreef hij Die Dreigroschenoper (1928), Happy End (1929) Aufstieg und Fall der Stadt Mahagonny ging in 1930 in Leipzig in première. Als auteur van “Entartete” muziek was voor Weill, een jood, geen toekomst in Duitsland. Hij werkte als componist van musicals en filmmuziek in de Verenigde Staten. The Song of Mandalay evoceert een prostitutiebuurt in de Birmese stad Mandalay.

Charles Remue – Ain’t She Sweet

Charles Remue (Brussel 1903 – 1971) bracht met de The New Stompers de eerste jazzplaat uit in België in 1927.Hij was geschoold als klarinettist aan het Koninklijk Conservatorium van Brussel. Ain’t she sweet werd in 1927 gecomponeerd door Milton Ager.

Django Reinhardt – Bugle Call Rag

Django Reinhardt  (Jean Baptiste Reinhardt Liberchies 1910 – 1953 Fotainebleau) trok met zijn Sinti – of zigeuner – familie door Frankrijk en leerde gitaar spelen. Django werd aan zijn linkerhand verminkt in een brand wat hem aanzette tot het ontwikkelen van zijn eigen virtuoze gipsy jazz.

Reverend Gary Davis – I Belong to the Band – Hallelujah!

Reverend Gary Davis

Reverend Gary Davis

Reverend Gary Davis ( South Carolina 1896 – 1972) leerde in de loop van zijn kindertijd blues spelen. Blues was destijds hèt eerste muziekgenre bij uitstek van de Afro-Amerikaanse bevolking. De snelle ontwikkeling van deze nieuwe muziek zou het gevolg zijn van de afschaffing van de slavernij door Abraham Lincoln in 1863. Die leidde tot relatieve vrijheid en de ontwikkeling van een eigen ontspanningscultuur voor Afro-Amerikanen. Vanaf 1935 zou Rev. Gary Davis geregeld muziek opnemen voor de American Record Company. In 1937 werd hij dominee in de protestantse kerk van de Baptisten. Davis ontwikkelde een typische manier om op een gitaar te tokkelen die vanaf de jaren 60 zou worden herontdekt door jonge folk- en popmuzikanten.

Meer info: www.reverendgarydavis.com

Wordt vervolgd