De zomer van James Ensor: “Tijdens het toeristisch seizoen kan ik niet afzijdig blijven.”

Het Ensor Research Team last tijdens de zomermaanden kort een pauze in. Geen artikel dus deze maand, maar wel een blogbericht waarin de onderzoekers belichten hoe James Ensor zijn zomers doorbracht.

De winkel van oom Leopold Haegheman, waar Ensor gaat wonen in 1917

De winkel van oom Leopold Haegheman, waar Ensor gaat wonen in 1917

Zomer in Oostende, koningin der badsteden. De kunstwereld draait verder maar Ensor is tijdens het toeristische seizoen immer als middenstander bedrijvig aan de zijde van zijn moeder in de winkel die ze uitbaatte. Die winkel is voor het hele gezin de belangrijkste bron van inkomsten. In tal van brieven en losse notities zijn opmerkingen te sprokkelen die aantonen hoezeer Ensor tijdens het zomerseizoen in beslag werd genomen door de verhuur van gemeubelde kamers aan toeristen en het mee uitbaten van de winkel. In oktober 1908 excuseert hij zich bij zijn vriend, de Luikse journalist Isi Collin, voor het feit dat hij onmogelijk etsen kan bezorgen voor een tentoonstelling in Luik. Ensor heeft absoluut geen tijd om naar Brussel te gaan om nieuwe afdrukken te laten maken. Tijdens het toeristische seizoen kan hij zich immers niet aan zijn verplichtingen onttrekken.

“Quant à l’exposition d’eaux-fortes, pas moyen de la faire en ce moment. Je n’ai pas assez d’épreuves actuellement. Je n’ai pas de presse et dois pour chaque tirage me rendre à Bruxelles pour guider le tireur. Je n’ai pu m’abstenter au cours de la saison.”

- Ensor aan Isi Collin, 7 oktober 1908

Commerce de coquillages

Het Koninklijk Museum bewaart het unieke afschrift van een brief van Ensor aan de Antwerpse kunstenaar Frans Hens die hem in 1920 uitnodigt om deel te nemen aan het salon van de tentoonstellingsvereniging Kunst van heden / L’art contemporain. De kunstenaar is na de dood van zijn moeder, zijn tante en zijn oom, verhuisd naar de voormalige winkel van oom Leopold Haegheman. Op het moment dat hij de brief naar Hens schrijft is hij 60, een succesrijk kunstenaar en kennelijk nog steeds actief in het toeristische bedrijf. Hij wordt immers in beslag genomen door allerlei commerciële bezigheden en familiale zorgen.

“Duizend excuses!”, schrijft hij aan Frans Hens. “Ja ik heb uw vriendelijke brieven ontvangen maar ik word volledig in beslag genomen, verlamd, door uiteenlopende moeilijkheden en familieverdriet, enzovoort enzoverder, en ik moet alles doen: de schelpenverkoop, het verhuur van het appartement, het huishouden. Men maakt mij voor alles verantwoordelijk. Wat een toestand voor een gevoelig kunstenaar.”

“Mille excuses! Oui j’ai reçu vos bonnes lettres mais je suis bien pris ici, des ennuis multiples, des chagrins de famille, etc. etc. me paralysent, et je dois tout faire: commerce de coquillages, location d’appartement, ménage. On me laisse toutes les charges. Quelle situation pour un artiste sensible.”

- Ensor aan Frans Hens 7 april 1920

HERWIG TODTS, KAREN BONNE, NANNY SCHRIJVERS

Afgevoerd wegens gebrek aan onderhuids modernisme

In de expo Onwaarschijnlijk echt. Magisch realisme en nieuwe zakelijkheid brengt curator Herwig Todts neorealistische werken uit de collecties van het Gemeentemuseum Den Haag, Museum Plantin-Moretus/Prentenkabinet en het KMSKA samen. Op de museumblog gaat hij geregeld in op een aspect van de tentoonstelling. Vandaag bekijkt hij twee werken die de tentoonstelling niet haalden, maar hem toch intrigeren.

Gustaaf De Bruyne (Mechelen 1914 – 1981 Poederlee), Boomstronk, ets (2de staat), 225 x 175 mm, inv. 3229

Gustaaf De Bruyne (Mechelen 1914 – 1981 Poederlee), Boomstronk, ets (2de staat), 225 x 175 mm, inv. 3229

De tentoonstelling Onwaarschijnlijk echt vraagt aandacht voor magisch, zakelijk en andere soorten van neorealisme uit het interbellum in België, Nederland en elders in Europa. Het gemeenschappelijke kenmerk van al deze vormen van realisme is het onderhuidse modernisme dat hier en daar opduikt in de vormgeving en de iconografie van de tentoongestelde werken. Gustaaf De Bruyne was een tijdgenoot van Gustave Van De Woestijne en Charley Toorop en zijn werk is uitgesproken realistisch. Toch werd hij niet voor de tentoonstelling geselecteerd. Niet alleen omdat de beperkte ruimte in de Koningin Fabiolazaal ons noopt tot kieskeurigheid. Maar ook omdat het zogenaamde onderhuidse modernisme in het werk van De Bruyne maar zwakjes aanwezig is. De ets Boomstronk illustreert dat. De Bruyne beheerst de knepen van het realisme haast virtuoos en wekt moeiteloos de indruk dat hij de werkelijkheid tot in de kleinste details kan weergeven: gras en onkruid aan de voet van de restanten van een knoestige, nagenoeg dode boom; de prikkeldraad met hier en daar zelfs een plukje droog gras. Volgens de Nederlandse neorealist Pyke Koch is het magisch realisme een poging om een onwaarschijnlijk maar ogenschijnlijk waarheidsgetrouw beeld te maken (terwijl het surrealisme een onmogelijke werkelijkheid uitbeeldt). Je kan de compositie van De Bruyne niet zonder meer “onwaarschijnlijk” noemen. Maar de raaf, de prikkeldraad, de stervende boom en de spin in het web,… Al deze elementen zijn toch zeer nadrukkelijk aanwezig. Heeft het beeld dan een allegorische bedoeling? Is de raaf een teken van het kwaad, brenger van slechts nieuws of symbool voor vrijwillige eenzaamheid? Verwijst de prikkeldraad naar Christus’ doornenkroon?

Visuele allegorie?

Gustaaf De Bruyne, Camille Huysmans en Reinaert de Vos, 1947. Paneel 46 x 30 cm. KMSKA inv. 3234

Gustaaf De Bruyne, Camille Huysmans en Reinaert de Vos, 1947. Paneel 46 x 30 cm. KMSKA inv. 3234

Ook in Van den Vos Reynaerde speelt Tiecelijn, de raaf, een belangrijke rol. Gustaaf De Bruyne heeft zich meermaals laten inspireren door het oude dierenepos. Het museum beschikt bijvoorbeeld over het portret dat De Bruyne van de grote socialistische staatsman Camille Huysmans schilderde. De Bruyne toont Huysmans in het gezelschap van een (wijze) uil, een (sluwe) vos en een meeuw. De meeuw zou een symbool van “liefde voor de vrijheid” kunnen zijn maar in een brief aan Huysmans schreef De Bruyne dat de meeuw stond voor de broosheid van de regering die door Huysmans in 1946 werd geleid. Dat de raaf, de prikkeldraad, de dode boom, en de spin in het web bij Boomstronk onderdelen zouden zijn van een visuele allegorie is dus zeer goed mogelijk. Maar de precieze samenhang ontgaat mij voorlopig. Suggesties zijn dus welkom! Boomstronk was overigens een van de 5 werken van De Bruyne die de dochters van Camille Huysmans, Sara en Marthe, aan het KMSKA gelegateerd hebben.

Herwig TODTS

Herman Teirlinck volgens Frits Van den Berghe

In de expo Onwaarschijnlijk echt. Magisch realisme en nieuwe zakelijkheid brengt curator Herwig Todts neorealistische werken uit de collecties van het Gemeentemuseum Den Haag, Museum Plantin-Moretus/Prentenkabinet en het KMSKA samen. Op de museumblog gaat hij geregeld in op een aspect van de tentoonstelling. Vandaag staat hij stil bij de tekening die Frits Van den Berghe van Herman Teirlinck maakte.

De vormgeving van een visuele voorstelling of de stijl van een tekening, schilderij of beeld is afhankelijk van veel factoren. Er zijn mensen die geloven dat de stijl de tijd waarin het kunstwerk is ontstaan weerspiegelt of uitdrukt. Anderen geloven dat de persoonlijkheid, het temperament of zelfs het onderbewustzijn van de maker wordt uitgedrukt in de vormgeving van een beeld. Al te vaak vergeten we dat de stijl van een beeld afhankelijk kan zijn van twee andere factoren: de vaardigheid van de kunstenaar en de redelijke keuzes die hij kan maken. Frits Van den Berghe heeft in de loop van zijn artistieke bedrijvigheid diverse stijlen beoefend. Voor de Eerste Wereldoorlog schilderde hij prachtige laat-impressionistische, ietwat raadselachtige beelden. Na de oorlog kiest hij net zoals andere zogenaamde Vlaamse expressionisten voor een figuratieve post-kubistische of kubo-expressionistische kunst. Vanaf het einde van de jaren 1920 gaat hij irreële, soms groteske voorstellingen maken, waarvan de informele, wat experimentele vormgeving geassocieerd wordt met het surrealisme. Van den Berghe maakte karikaturen voor het socialistische dagblad De Vooruit en publiceerde samen met een collega van de krant, dichter Richard Minne, het stripverhaal Brieven van Pierken.

Gedeelde voorkeur voor artistieke vernieuwing

Herman Teirlinck (1879-1967) was een leeftijdsgenoot van Van den Berghe, maar hij vertoefde als leraar Nederlands van de Belgische prinsen en als raadsheer van de koningen Albert I, Leopold III en Boudewijn, in heel andere kringen. Teirlinck, als toneelschrijver, en Van den Berghe deelden wel een uitgesproken voorkeur voor artistieke vernieuwing. Teirlinck publiceerde geregeld en werd herhaaldelijk gevierd. Hij werd o.m. doctor honoris causa aan de Vrije Universiteit van Brussel in 1938. Er waren dus vele gelegenheden die een portret van de man konden rechtvaardigen. Omdat de vormgeving van een onderwerp vaak de functie volgt, koos Van den Berghe voor een natuurgetrouwe weergave van de gelaatstrekken, schaduwen die het volume beklemtonen, scherp getekende rimpels en gelaatsplooien en lichtreflecties op de onderlip, de neustop, de pupillen en de brillenrand, die het naturalisme versterken. Hoewel de omtreklijn van het gelaat, langs de wang ononderbroken doorloopt in de kraag van het hemd. Misschien wilde Van den Berghe zo herinneren aan het kunstmatige, tweedimensionale karakter van de tekening. Laat-realistische tijdgenoten van Van den Berghe, zoals Albert Van Dijck en andere zogenaamde animisten, zouden zoiets in ieder geval nooit doen.

Frits Van den Berghe, Portret van Herman Teirlinck, Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen

Frits Van den Berghe, Portret van Herman Teirlinck, Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen

Herman Teirlinck is uw man

Herman Teirlinck (1879-1967) nam in 1925 voor de eerste en enige keer deel aan de parlementaire verkiezingen in België. Hij kwam op voor de Liberale Volksbond Brussel. Op zijn verkiezingsaffiche roept hij de politieagenten van “Groot-Brussel” op om voor hem te stemmen.

“Ook voor U is het van beteekenis vertegenwoordigd te zijn door iemand die U waardeert en die uwe sympathie verdient! Herman Teirlinck is uw man. … een demokraat; een talentvol redenaar; een letterkundige van Europeesche bekendheid; een Hoogstaand kunstenaar. De politiek van Herman Teirlinck is vrede in den lande, vooruitgang en volksbeschaving …”

Teirlinck werd niet verkozen maar hij heeft (theaterliefhebbers weten dat) als niet-politicus meer gerealiseerd dan sommige politieke collega’s en concurrenten die toen wel een mandaat veroverden. Hij had geen talent voor het behalen van diploma’s. Hij heeft niettemin in het hoger onderwijs, als adviseur van de koningen Albert I en Leopold III en als verdediger van de culturele autonomie van Wallonië en Vlaanderen, een belangrijke rol gespeeld in België. Uitgeverij Manteau publiceerde van 1960 tot 1969 in 8 delen en meer dan 6000 bladzijden, alle verhalen, theaterteksten en essays die hij geschreven heeft.

Herwig TODTS

Onwaarschijnlijk echte soundtrack 3/3

In de expo Onwaarschijnlijk echt. Magisch realisme en nieuwe zakelijkheid brengt Herwig Todts neorealistische werken uit de collecties van het Gemeentemuseum Den Haag, Museum Plantin-Moretus/Prentenkabinet en het KMSKA samen. Hij maakte ook een afspeellijst op Spotify met muziek die je om uiteenlopende redenen aan de tentoonstelling kan linken.

In concert- en populaire muziek van de jaren 20 en 30 kan je heel wat aanknopingspunten vinden met de schilderijen en prenten die je in de tentoonstelling Onwaarschijnlijk echt te zien krijgt. De afspeellijst die ik samenstelde is uiteraard onvolkomen, eenzijdig en getuigt onvermijdelijk van mijn persoonlijke muzieksmaak. Luister, lees de korte toelichtingen die ik bij elkaar heb gesprokkeld en trek vervolgens naar de expo om daar de link met de kunstwerken zelf te ontdekken.

HERWIG TODTS

Eerder gaf Todts al toelichtingen bij andere nummers die aan bod komen in de afspeellijst. Ga naar deel 1 en deel 2

 

Ragtime

ragtime

Ragtime ontstond in de Afro-Amerikaanse uitgangsbuurten van St. Louis en New Orleans op het einde van de 19de eeuw.  Een van de bekendste componisten was Scott Joplin. Karakteristiek is de combinatie van eenvoudige marsmuziek met typisch Afrikaanse, verrassende ritmische accenten, die ook terugkeren in de muziek waarop in de jaren 20 de charleston werd gedanst. De Broadway Rag van Bob Wilson and his Varsity Rythm Boys is daarvan een voorbeeld.

Hoagy Carmichael – Georgia on my Mind

Hoagy Carmichael

Hoagy Carmichael

Hoagy Carmichael (Bloomington 1899 – 1981) is een van de populairste Amerikaanse componisten van zogenaamde “standards” zoals Georgia on my Mind. Dat is één van de vele liedjes van Carmichael waarmee populaire zangers uit de hele 20ste eeuw – van Billy Holiday, Bing Crosby, Dean Martin, Ella Fitzgerald, Ray Charles en Louis Armstrong tot Willie Nelson en Alicia Keys – in uiteenlopende populaire muziekstijlen een hit scoorden.

Fred Astaire – Putting on the Ritz

Fred Astaire – Puttin’ On The Ritz from Evgeny Demchenko on Vimeo

Fred Astaire (Frederick Austerlitz, Omaha 1899 – 1987 Los Angeles) was gedurende tientallen jaren een ontzettend populaire zanger en filmster. Zijn versies van liedjes zoals Putting on the Ritz zijn vaak de meest bekende. Al was het Irving Berlin die het liedje in 1929 schreef. Oorspronkelijk was het een satire op de gewoonte van de arme Afro-Amerikaanse inwoners van Harlem om hun laatste geld uit te geven aan modieuze kledij. Later werd een versie afgestemd op blanke dandy’s populair.

Have you seen the well-to-do, up and down Park Avenue (…) with their noses in the air (…) Spending every dime, for a wonderful time (…) Why don’t you go where fashion sits / Puttin’ on the ritz. // Different types who wear a daycoat, pants with stripes (…) Dressed up like a million dollar trouper  (…).

 

Paul Hindemith – Kammermusik No. 5, Op. 36, No. 4: Langsam

Paul Hindemith

Paul Hindemith

Paul Hindemith (Hanau 1895 – 1963 Frankfurt am Main) was een altviolist en componist. De “klassieke” concertmuziek onderging tijdens de decennia voor en na 1900 een fundamentele omwenteling. De “emancipatie van de dissonant” bracht Arnold Schönberg tot de uitvinding van het atonale twaalftoonstelsel. Min of meer analoog bracht “de emancipatie van het ritme” Igor Stravinsky met Le Sacre du Printemps (1913) tot  de creatie van stuk zonder doorlopende metrische samenhang – de maatsoort verandert onophoudelijk. Hindemith experimenteerde met combinaties van neoclassicistische vormen en min of meer onderhuids modernistische muzikale vernieuwingen.

Meer info: www.cobra.be/cm/cobra/muziek/1.1810148

Onwaarschijnlijk echte soundtrack 2/3

In de expo Onwaarschijnlijk echt. Magisch realisme en nieuwe zakelijkheid brengt Herwig Todts neorealistische werken uit de collecties van het Gemeentemuseum Den Haag, Museum Plantin-Moretus/Prentenkabinet en het KMSKA samen. Hij maakte ook een afspeellijst op Spotify met muziek die je om uiteenlopende redenen aan de tentoonstelling kan linken.

In concert- en populaire muziek van de jaren 20 en 30 kan je heel wat aanknopingspunten vinden met de schilderijen en prenten die je in de tentoonstelling Onwaarschijnlijk echt te zien krijgt. De afspeellijst die ik samenstelde is uiteraard onvolkomen, eenzijdig en getuigt onvermijdelijk van mijn persoonlijke muzieksmaak. Luister, lees de korte toelichtingen die ik bij elkaar heb gesprokkeld en trek vervolgens naar de expo om daar de link met de kunstwerken zelf te ontdekken.

HERWIG TODTS

Eerder gaf Todts al toelichtingen bij andere nummers die aan bod komen in de afspeellijst. 

 

Francis Poulenc – Quatre Chansons pour enfants (FP 75)

Album cover Poulenc

Album cover Poulenc

Francis Poulenc (Parijs 1899 – 1963) studeerde piano. Als componist was hij autodidact. Voor de Eerste Wereldoorlog sloot hij vriendschap met avant-garde dichters als Guillaume Apollinaire. Voor de Ballets Russes van Serge Diaghilev componeerde hij in 1923 Les biches. Poulenc had een grote belangstelling voor muzikale vernieuwingen en werd bewonderd door Igor Stravinsky. Toch bleef hij trouw aan de tonale harmonie. In 1934 componeerde hij de Quatre Chansons pour enfants (FP 75) op teksten van Jean Nohain.

Hanns Eisler – No. 2. Notturno

Hanns Eisler (Leipzig 1898 – 1962) was een van de eerste leerlingen van Arnold Schönberg die gebruik maakte van de atonale twaalftonen-compositietechniek. Eisler vestigde zich in Berlijn. Hij werkte o.a. samen met Bertold Brecht. Zijn belangstelling voor het Marxisme groeide hand in hand met zijn liefde voor populaire muziek en jazz. Eisler schreef het Solidaritätslied e.a. socialistische strijdliederen. Hij verliet nazi-Duitsland in 1933 en vestigde zich in de Verenigde Staten waar hij als “the Karl Marx of Music”, tijdens de Koude Oorlog slachtoffer werd van de Commissie van on-Amerikaanse Activiteiten. Daarop vestigde hij zich in Oost-Duitsland.

Kurt Weill – The Song of Mandalay

Kurt Weill (Dessau 1900 – 1950 New York) was van meet af aan sterk geïnteresseerd in muziektheater en vond in Bertold Brecht en actrice Lotte Lenya de geschikte mensen om meermaals samen te werken. Weill combineerde een laatromantische muzikale opvattingen met een grote liefde voor variétémuziek en jazz. Met Bertold Brecht schreef hij Die Dreigroschenoper (1928), Happy End (1929) Aufstieg und Fall der Stadt Mahagonny ging in 1930 in Leipzig in première. Als auteur van “Entartete” muziek was voor Weill, een jood, geen toekomst in Duitsland. Hij werkte als componist van musicals en filmmuziek in de Verenigde Staten. The Song of Mandalay evoceert een prostitutiebuurt in de Birmese stad Mandalay.

Charles Remue – Ain’t She Sweet

Charles Remue (Brussel 1903 – 1971) bracht met de The New Stompers de eerste jazzplaat uit in België in 1927.Hij was geschoold als klarinettist aan het Koninklijk Conservatorium van Brussel. Ain’t she sweet werd in 1927 gecomponeerd door Milton Ager.

Django Reinhardt – Bugle Call Rag

Django Reinhardt  (Jean Baptiste Reinhardt Liberchies 1910 – 1953 Fotainebleau) trok met zijn Sinti – of zigeuner – familie door Frankrijk en leerde gitaar spelen. Django werd aan zijn linkerhand verminkt in een brand wat hem aanzette tot het ontwikkelen van zijn eigen virtuoze gipsy jazz.

Reverend Gary Davis – I Belong to the Band – Hallelujah!

Reverend Gary Davis

Reverend Gary Davis

Reverend Gary Davis ( South Carolina 1896 – 1972) leerde in de loop van zijn kindertijd blues spelen. Blues was destijds hèt eerste muziekgenre bij uitstek van de Afro-Amerikaanse bevolking. De snelle ontwikkeling van deze nieuwe muziek zou het gevolg zijn van de afschaffing van de slavernij door Abraham Lincoln in 1863. Die leidde tot relatieve vrijheid en de ontwikkeling van een eigen ontspanningscultuur voor Afro-Amerikanen. Vanaf 1935 zou Rev. Gary Davis geregeld muziek opnemen voor de American Record Company. In 1937 werd hij dominee in de protestantse kerk van de Baptisten. Davis ontwikkelde een typische manier om op een gitaar te tokkelen die vanaf de jaren 60 zou worden herontdekt door jonge folk- en popmuzikanten.

Meer info: www.reverendgarydavis.com

Wordt vervolgd

Ensor en religie

Astrid Schenk studeert kunstgeschiedenis aan de Universiteit Utrecht. In het kader van haar Research master Art History of the Low Countries in its European Context liep ze stage bij het Ensor Research Project en onderzocht ze het religieuze oeuvre van James Ensor.  

James Ensor, Val van de opstandige engelen, KMSKA, 2176

James Ensor, Val van de opstandige engelen, KMSKA, 2176

In 1888 begon James Ensor de werkzaamheden aan het monumentale schilderij De intrede van Christus in Brussel in 1889. Het schilderij groeide uit tot een van zijn beroemdste en door kunsthistorici meest besproken en geanalyseerde werken. Het maakt deel uit van de collectie van The J. Paul Getty Museum in Los Angeles waar momenteel de tentoonstelling The Scandalous Art of James Ensor loopt (met tal van bruiklenen uit het KMSKA).

De intrede wordt beschouwd als een mijlpaal in de moderne kunstgeschiedenis. Daarom is het ook niet verwonderlijk dat kunsthistorici zich hebben gebogen over de voorstelling van religieuze onderwerpen in Ensors oeuvre.Terugkerende conclusies zijn dat Ensor zich vanwege de kritische ontvangst van zijn kunst identificeerde met het lijden van Christus en dat de kwaliteit en kwantiteit van zijn religieuze werken na 1900 gestaag is gedaald. Herwig Todts (Ensorspecialist en KMSKA-curator) had vragen bij deze conclusies en stelde een diepgaande studie voor die verbanden legt met Ensors denkbeelden en met de visie en het repertoire van zijn tijdgenoten.

Astrid Schenk bestudeerde tijdens haar stage in het KMSKA het gehele religieuze oeuvre van James Ensor en stelde daarmee het heersende beeld over religie in het werk van de kunstenaar bij. Ze publiceerde een deel van haar bevindingen in een nieuw artikel voor het Ensor Research Project.

Een beeldband bij de tentoonstelling Onwaarschijnlijk echt

In de expo Onwaarschijnlijk echt. Magisch realisme en nieuwe zakelijkheid brengt curator Herwig Todts neorealistische werken uit de collecties van het Gemeentemuseum Den Haag, Museum Plantin-Moretus/Prentenkabinet en het KMSKA samen. Hij maakte ook een afspeellijst op youtube met filmpjes die om uiteenlopende redenen aansluiten bij de thematiek van de tentoonstelling. In dit blogbericht stelt hij zijn selectie voor.

In Onwaarschijnlijk echt worden enkele korte films van Charles Dekeukeleire, Henri Storck, Joris Ivens en Henry d’Ursel getoond. Het beschikbare materiaal aan filmbeelden die op een af andere wijze aansluiten bij de tentoonstelling is echt o-!-ver-!-vloe-!-dig. In een vorig blogbericht stelde ik de soundtrack bij de tentoonstelling voor. Op Youtube heb ik voor belangstellenden opnieuw een afspeellijst gemaakt. Deze is uiteraard onvolkomen en eenzijdig en getuigt onvermijdelijk opnieuw van mijn persoonlijke smaak.

De afspeellijst begint met What a marvellous age we live in en iedereen begint vrolijk met zijn benen te zwaaien. Nadien kan je kennismaken met twee impressies van moderne steden : Berlijn (hoofdstad van de zonde) en Brussel (de boulevards). De prenten van Henri Van Straten komen echt tot leven in een clip met Josephine Baker. Vervolgens duiken we in een denkbeeldige alternatieve selectie voor de tentoonstelling Onwaarschijnlijk echt met Pyke Kochs Schiettent, een groepsportret van Charley Toorop uit Museum Boijmans Van Beuningen, Jasper Krabbé die geestdriftig is over Delvaux’ Roze Strikken en een “hele mooie Willink”. Daarna maken we een sprong doorheen de tijd, naar het atelier van Willink zelf. Na een korte kennismaking met Paul Hindemith (niet overslaan!) leest Willem Elsschot “Spijt …bitter, bitter grieft het mij …/ Neen, er is geen wenden aan: als wij dood zijn is’t gedaan.” (1934) en dan wordt er opnieuw gedanst: van linkeroever tot op het plein voor het KMSKA.

HERWIG TODTS

Onwaarschijnlijk echte soundtrack 1/3

In de expo Onwaarschijnlijk echt. Magisch realisme en nieuwe zakelijkheid brengt Herwig Todts neorealistische werken uit de collecties van het Gemeentemuseum Den Haag, Museum Plantin-Moretus/Prentenkabinet en het KMSKA samen. Hij maakte ook een afspeellijst op Spotify met muziek die je om uiteenlopende redenen aan de tentoonstelling kan linken.

De expo Onwaarschijnlijk echt toont hoe kunstenaars experimenteren met combinaties van realisme en modernisme. Gevolg daarvan is dat dat modernisme onderhuids, in de vormgeving of de iconografie van de werken, aanwezig blijft. Het nieuw-zakelijke en magisch realisme is niet de uiting van een Zeitgeist. Naast Pyke Koch, Charley Toorop of Gustave Van de Woestyne werken kunstenaars in Nederland en België met een heel andere artistieke agenda. Toch kan een leek op het vlak van de muziekgeschiedenis, zoals ondergetekende, in de concert- en populaire muziek van de jaren 20 en 30 heel wat aanknopingspunten vinden met de schilderijen en prenten die je in de tentoonstelling kan bewonderen: in de grafiek van Henry Van Straten zie je personages uit de wereld van de jazz, de vaudeville, de java en de musette, de nieuwe Afro-Amerikaanse ontspanningsmuziek en -cultuur. Bestanddelen van deze muziekcultuur worden overgenomen door Amerikaanse componisten van “blanke” ontspanningsmuziek, Europese muzikanten en componisten van concertmuziek.

De afspeellijst die ik samenstelde is uiteraard onvolkomen, eenzijdig en getuigt onvermijdelijk van mijn persoonlijke muzieksmaak. Luister, lees de korte toelichtingen die ik bij elkaar heb gesprokkeld en trek vervolgens naar de expo om daar de link met de kunstwerken zelf te ontdekken.

HERWIG TODTS

 

Al Jolson – Swanee

Al Jolson (Asa Yoelson 1886 Litouwen – 1950 San Francisco), was de zoon van een joodse rabbi en cantor – kenners beweren dat je dat kan horen. Jolson begon zijn zangcarrière op 16-jarige leeftijd in het vaudevilletheater. Na de Eerste Wereldoorlog nam de productie van grammofoonplaten sterk toe. Maar het succes van muziekstukken en liederen berustte nog steeds in hoge mate op de verkoop van bladmuziek. In 1919 maakte Jolson van Swanee, een liedje van de jonge George Gershwin, een hit. De uitgever van de partituur en Columbia Records verkochten naar verluidt miljoenen exemplaren van de partituur en de plaat. Het liedje gaat over een man met heimwee naar het leven aan de oever van de rivier Suwanee, die door Florida stroomt. Jolson speelde in 1927 de hoofdrol in de allereerste langspeelfilm met klank The Jazz Singer: een langspeelplaat met liedjes, muziek en dialogen (!) werd synchroon met de beeldband gespeeld. Jolson was voor de populaire muziek van de jaren 20 en 30, wat Elvis Presley in de jaren 50 en 60 voor de rock-’n’-roll betekende.


Joséphine Baker – Breezin’ Along With The Breeze

Josephine Baker (Freda Josephine Mc Donald 1906 – 1975) werkte in het begin van de jaren 20 in de muziektheaters op Broadway in New York. In 1925 vestigde ze zich in Parijs en organiseerde ze La Revue Nègre, een ophefmakende show waarin ze zelf halfnaakt zong en dans. Het begin van een buitengewoon succesvolle internationale carrière. Hemingway noemde haar “The most sensational woman anyone ever saw”. Josephine Baker steunde de strijd van de Afro-Amerikaanse Civil Rights Movement en weigerde op te treden voor een exclusief blank publiek. Baker zong soms populaire liedjes zoals La Petite Tonkinoise en I’m just breezing along with the breeze:

I’m just breezing along with the breeze (…) Like the birdies that sing in the trees / Pleasing to live, Living to please (…)

- Richard Whiting & Seymour Simons & Haven Gillespie, 1926

Renaud – La Plus Bath Des Javas

De java is een snelle, populaire driekwartmaatse dans, met een kenmerkende schouderbeweging, die vooral in Frankrijk populair was van de jaren 20 tot de jaren 50. De dans wordt doorgaans begeleid op accordeon en is verwant met de musette. La Plus Bath des Javas was een populair liedje in de jaren 20.

Prent Java

Prent Java

Louis Davids – De Boksmatch

Louis Davids (Rotterdam 1883 – 1939) was de zoon van twee vaudevilleartiesten.

Francis Poulence – 4 chansons pour enfants, FP 75: I. Le petit René

Francis Poulenc (Parijs 1899 – 1963) studeerde piano maar was als componist autodidact. Voor de Eerste Wereldoorlog sloot hij vriendschap met avant-garde dichters zoals Guillaume Apollinaire. Voor de Ballets Russes van Serge Diaghilev componeerde hij in 1923 Les biches. Poulenc had een grote belangstelling voor muzikale vernieuwingen en werd bewonderd door Igor Stravinsky. Toch bleef hij trouw aan de tonale harmonie. De Quatre chansons pour enfants (FP 75) werden in 1934 gecomponeerd op teksten van Jean Nohain.

Wordt vervolgd…

Wie is Bertha van Antwerpen?

Een portret van de legendarische Asta Nielsen als tragische lichtekooi op jaren door Pyke Koch

In de expo Onwaarschijnlijk echt. Magisch realisme en nieuwe zakelijkheid brengt Herwig Todts neorealistische werken uit de collecties van het Gemeentemuseum Den Haag, Museum Plantin-Moretus/Prentenkabinet en het KMSKA samen. Op de museumblog gaat hij geregeld in op een aspect van de tentoonstelling. Starten doet hij met een zoektocht naar de ware identiteit van Bertha van Antwerpen, de intrigerende vrouw die het campagnebeeld van de expo siert. 

Campagnebeeld Onwaarschijnlijk echt. Magisch realisme en nieuwe zakelijkheid

Campagnebeeld Onwaarschijnlijk echt. Magisch realisme en nieuwe zakelijkheid

Neem een schilder als Pijke Koch, ongetwijfeld één der intelligentste van ons land (…) maar voor de rest interesseert mij Koch als schilder en niet als intelligent mensch. Zijn kennis van het “coeur humain”, zoals die uit Bertha van Antwerpen tot den beschouwer spreekt, kan mij maar een bitter beetje schelen, als ik de picturale qualiteiten van dit doek onderga…

Menno ter Braak, Het Schrijverspalet, 1932

Asta Nielsen (Kopenhagen 1881 – Frederiksburg 1972) wordt beschouwd als de allereerste grote filmster. Ze werkte aanvankelijk als actrice in het theater in Kopenhagen. Inmiddels waren – min of meer onafhankelijk van elkaar – omstreeks 1893/95 in New York, Chicago, Berlijn en Parijs uitvinders bezig met het ontwikkelen van toestellen om  bewegende filmbeelden te projecteren. Het meest geschikte toestel was de cinématographe van Auguste en Louis Lumière. In 1895 werden de eerste betalende filmvertoningen georganiseerd. Spoedig begon her en der in Europa en Amerika de productie van korte, stomme speelfilms: komedies, tragedies, avonturenfilms en animatiefilms van 10 à 15 minuten, zonder klank. Vanaf 1910 werden ook lange, “avondvullende” speelfilms van meer dan 60 minuten gemaakt. Asta Nielsen ontmoette filmregisseur Peter Urban Gadd (een neef van Paul Gauguin, die met een Deense gehuwd was). Samen draaiden ze van 1909 tot 1915 tal van langspeelfilms. Afgrunden (1910), haar debuut, verwekte meteen schandaal omwille van de vaak gecensureerde, onverhuld sensuele dansscène.


“Die Asta”, wereldwijd een ster, geliefd door het grote publiek en bezongen door Guillaume Appolinaire en de artistieke avant-garde. Ook in Antwerpen telde zij met o.a. Paul Joostens, Paul Van Ostaijen en Frank Van den Wijngaert (vriend van Henry Van Straten) heel wat fans.

Pyke Koch maakte drie keer gebruik van Asta Nielsen in een gedaante die duidelijk ontleend was aan haar verschijning in haar laatste film Dirnentragödie. Daarin spelen zij en de jonge Greta Garbo prostituees. Asta is Auguste, een oudere, illusieloze straatmadelief. Koch heeft het portret van Asta op twee verschillende foto’s gebaseerd. Uit de ene foto heeft hij haar hoofd met het kleine hoedje met grote veren gekozen. Het andere beeld komt uit de film en heeft Koch gebruikt voor de kleding. In het vroege portret lijkt Asta een jonge vrouw en contrasteert de rode bloem met haar surreële groene huidskleur. Als Bertha van Antwerpen heeft Asta Nielsen een verouderingsproces ondergaan, en heeft Koch de verhoudingen van het gelaat op een wat karikaturale wijze veranderd: de ogen lijken groter dan ooit, de ruimte tussen de neus en de mond is onwaarschijnlijk groot.

De straatmadelieven in het leven van Koch

Dat Bertha van Antwerpen een prostituee voorstelt, wordt – voor zover bekend – door niemand betwist. Pyke Kochs goede vriend, de dichter Martinus Nijhoff, maakte voor het huwelijk (!) van Pyke Koch in 1934 volgend gelegenheidsgedicht:

Op een hoek van een straat / Een straat in de stad / Tot al wie daar gaat / ‘Kom hier’ roep ik, ‘schat’.
En de veer op mijn hoed / En mijn bloem van fluweel / En mijn zachte groet / Vermag veel, vermag veel.
Twaalf is een dozijn – Er nadert een man / Die geholpen wil zijn / En ik helpen niet kan.
(…)
Ik loop met hem mee
(…)
Maar dan onverwacht / Zooals tooveren gaat, / Ben ik thuisgebracht / Ik sta in mijn straat.
Een blind links en rechts, / Een muur met een goot, / Het is ik, die heks, / Het is ik, levensgroot.
O mijn oud, oud hoofd / Is zoo oud omdat / Het den hemel belooft / En de hel bevat.
Een vrouw heeft een zoon / En die zoon (…) / En sterft in haar schoot.
(…)
Bertha, Bertha dan, Is al wat hij zegt / Terwijl hij zijn wang / Aan mijn blouse legt.

 Martinus Nijhoff, Verzamelde Gedichten (Amsterdam 2001)

Misschien inspireerde de film Dirnentragödie Koch tot het maken van dit schilderij. Maar straatmadelieven spelen in zijn vroege oeuvre ook al een belangrijke rol. Pieter Christian Koch woonde tijdens zijn jeugd in de Nijmeegse “hoerenstraat”: de Pykestraat. Vermoedelijk ontleende hij daaraan zijn artiestennaam. Omstreeks 1929 had Koch een relatie met een 48 jaar oude vrouw. Zelf was hij 28. Beide getallen spelen een ondergeschikte rol in het schilderij Achterbuurtrapsodie (Stedelijk Museum Amsterdam) waarin eveneens wordt gezinspeeld op prostitutie.  Zou het opvallende huisnummer “12” in Pyke Kochs portret van Bertha van Antwerpen – voor een muur met regenpijp en tussen twee houten vensterluiken – een betekenis hebben?

Pyke Koch, Bertha van Antwerpen (detail)

Pyke Koch, Bertha van Antwerpen (detail)

Blijft eveneens de intrigerende vraag waarom Asta Nielsen hier, in de gedaante van een “verlepte straatmadelief”,  Bertha van Antwerpen heet. Waar komt die naam vandaan? Gaat het om Bertrade, burggravin van Antwerpen, echtgenote van de 13de eeuwse Brabantse edelman Arnold IV van Diest?

MEER LEZEN: Bjorn GABRIELS, Asta: kinoster en verlepte hoer

Onwaarschijnlijk echt

Vanaf morgen (10/05) kan je in de Koningin Fabiolazaal terecht voor de tentoonstelling Onwaarschijnlijk echt. Magisch realisme en nieuwe zakelijkheid in de exporeeks De Modernen.

Campagnebeeld Onwaarschijnlijk echt. Magisch realisme en nieuwe zakelijkheid

Campagnebeeld Onwaarschijnlijk echt. Magisch realisme en nieuwe zakelijkheid

Met deze tentoonstelling brengt curator Herwig Todts neorealistisch werk uit de collecties het Gemeentemuseum Den Haag, Museum Plantin-Moretus/Prentenkabinet en het KMSKA samen. Maar er is meer. Het magisch realisme en de nieuwe zakelijkheid uitten zich immers niet alleen als stroming in de schilderkunst, maar ook in de wereld van de (jazz)muziek, architectuur, film en literatuur.

De komende maanden zal Herwig Todts op de museumblog geregeld dieper ingaan op de thema’s die in de expo aan bod komen. Hij zal daarbij o.a. ook verbanden leggen met het neorealisme in tal van andere artistieke domeinen.

Tot slot legt hij ook een audiovisuele afspeellijst aan op Youtube en een soundtrack bij de tentoonstelling op Spotify.