Onwaarschijnlijk echte soundtrack 1/3

In de expo Onwaarschijnlijk echt. Magisch realisme en nieuwe zakelijkheid brengt Herwig Todts neorealistische werken uit de collecties van het Gemeentemuseum Den Haag, Museum Plantin-Moretus/Prentenkabinet en het KMSKA samen. Hij maakte ook een afspeellijst op Spotify met muziek die je om uiteenlopende redenen aan de tentoonstelling kan linken.

De expo Onwaarschijnlijk echt toont hoe kunstenaars experimenteren met combinaties van realisme en modernisme. Gevolg daarvan is dat dat modernisme onderhuids, in de vormgeving of de iconografie van de werken, aanwezig blijft. Het nieuw-zakelijke en magisch realisme is niet de uiting van een Zeitgeist. Naast Pyke Koch, Charley Toorop of Gustave Van de Woestyne werken kunstenaars in Nederland en België met een heel andere artistieke agenda. Toch kan een leek op het vlak van de muziekgeschiedenis, zoals ondergetekende, in de concert- en populaire muziek van de jaren 20 en 30 heel wat aanknopingspunten vinden met de schilderijen en prenten die je in de tentoonstelling kan bewonderen: in de grafiek van Henry Van Straten zie je personages uit de wereld van de jazz, de vaudeville, de java en de musette, de nieuwe Afro-Amerikaanse ontspanningsmuziek en -cultuur. Bestanddelen van deze muziekcultuur worden overgenomen door Amerikaanse componisten van “blanke” ontspanningsmuziek, Europese muzikanten en componisten van concertmuziek.

De afspeellijst die ik samenstelde is uiteraard onvolkomen, eenzijdig en getuigt onvermijdelijk van mijn persoonlijke muzieksmaak. Luister, lees de korte toelichtingen die ik bij elkaar heb gesprokkeld en trek vervolgens naar de expo om daar de link met de kunstwerken zelf te ontdekken.

HERWIG TODTS

 

Al Jolson – Swanee

Al Jolson (Asa Yoelson 1886 Litouwen – 1950 San Francisco), was de zoon van een joodse rabbi en cantor – kenners beweren dat je dat kan horen. Jolson begon zijn zangcarrière op 16-jarige leeftijd in het vaudevilletheater. Na de Eerste Wereldoorlog nam de productie van grammofoonplaten sterk toe. Maar het succes van muziekstukken en liederen berustte nog steeds in hoge mate op de verkoop van bladmuziek. In 1919 maakte Jolson van Swanee, een liedje van de jonge George Gershwin, een hit. De uitgever van de partituur en Columbia Records verkochten naar verluidt miljoenen exemplaren van de partituur en de plaat. Het liedje gaat over een man met heimwee naar het leven aan de oever van de rivier Suwanee, die door Florida stroomt. Jolson speelde in 1927 de hoofdrol in de allereerste langspeelfilm met klank The Jazz Singer: een langspeelplaat met liedjes, muziek en dialogen (!) werd synchroon met de beeldband gespeeld. Jolson was voor de populaire muziek van de jaren 20 en 30, wat Elvis Presley in de jaren 50 en 60 voor de rock-’n’-roll betekende.


Joséphine Baker – Breezin’ Along With The Breeze

Josephine Baker (Freda Josephine Mc Donald 1906 – 1975) werkte in het begin van de jaren 20 in de muziektheaters op Broadway in New York. In 1925 vestigde ze zich in Parijs en organiseerde ze La Revue Nègre, een ophefmakende show waarin ze zelf halfnaakt zong en dans. Het begin van een buitengewoon succesvolle internationale carrière. Hemingway noemde haar “The most sensational woman anyone ever saw”. Josephine Baker steunde de strijd van de Afro-Amerikaanse Civil Rights Movement en weigerde op te treden voor een exclusief blank publiek. Baker zong soms populaire liedjes zoals La Petite Tonkinoise en I’m just breezing along with the breeze:

I’m just breezing along with the breeze (…) Like the birdies that sing in the trees / Pleasing to live, Living to please (…)

- Richard Whiting & Seymour Simons & Haven Gillespie, 1926

Renaud – La Plus Bath Des Javas

De java is een snelle, populaire driekwartmaatse dans, met een kenmerkende schouderbeweging, die vooral in Frankrijk populair was van de jaren 20 tot de jaren 50. De dans wordt doorgaans begeleid op accordeon en is verwant met de musette. La Plus Bath des Javas was een populair liedje in de jaren 20.

Prent Java

Prent Java

Louis Davids – De Boksmatch

Louis Davids (Rotterdam 1883 – 1939) was de zoon van twee vaudevilleartiesten.

Francis Poulence – 4 chansons pour enfants, FP 75: I. Le petit René

Francis Poulenc (Parijs 1899 – 1963) studeerde piano maar was als componist autodidact. Voor de Eerste Wereldoorlog sloot hij vriendschap met avant-garde dichters zoals Guillaume Apollinaire. Voor de Ballets Russes van Serge Diaghilev componeerde hij in 1923 Les biches. Poulenc had een grote belangstelling voor muzikale vernieuwingen en werd bewonderd door Igor Stravinsky. Toch bleef hij trouw aan de tonale harmonie. De Quatre chansons pour enfants (FP 75) werden in 1934 gecomponeerd op teksten van Jean Nohain.

Wordt vervolgd…

Gruwel tot in de kleinste details

De Vrienden van het KMSKA gaan geregeld op uitstap naar tentoonstellingen en musea in binnen- en buitenland. Onlangs trokken ze naar het Museum voor Schone Kunsten in Gent, waar je nog tot eind deze week de tentoonstelling Géricault kan bezoeken. Carl Van Tichelen is sinds jaar en dag vriend van het KMSKA. Hij beschrijft wat hij ter plekke zag en dat tot in de kleinste details.

Carl Van Tichelen, een trouwe museumvriend (foto: Jesse Willems)

Carl Van Tichelen, een trouwe museumvriend (foto: Jesse Willems)

Lijken, afgehakte ledematen – van paarden en van mensen – en masse en in detail : de waanzin waarmee de mens geconfronteerd wordt in de nasleep van de Franse Revolutie en de Napoleontische oorlogen. Maar ook de waanzin die in de mens zelf zit : fantastische portretten van psychiatrische patiënten. Dat is in kort bestek de inhoud van de tentoonstelling Géricault die we op uitnodiging van de Vrienden van het Museum voor Schone Kunsten van Gent mochten bezoeken. Met een interessante inleiding van Bruno Fornari, de conservator van de tentoonstelling, en als toetje nog koffie en gebak.

Sommigen vinden de tentoonstelling bevreemdend, vol horror, misschien zelfs afstotend, terwijl anderen het allemaal prachtig vinden. Eén ding is zeker: Théodore Géricault (1791 – 1824) laat je niet onberoerd. Hij zoekt de rand van de afgrond op, in zowel het fysisch als het psychisch lijden. Hij verbaast ons met ongewone thema’s in de schilderkunst, thema’s die verwant zijn aan het werk van Goya, Delacroix en Menzel.

Afschuw voor onmenselijkheid

Bij het binnenkomen van de tentoonstelling wordt je overweldigd door zijn beroemde werk Het vlot van de Medusa, centraal opgesteld in één van de ronde zalen van het museum. Ook al is het dan niet de “echte” Géricault, maar een in opdracht van het Louvre gemaakte natuurgetrouwe kopie uit het Musée de Picardie van Amiens. Precies uit dit werk (waaraan een uitgebreide studie en een ontelbaar aantal tekeningen voorafgingen) blijkt de betrokkenheid van de schilder met het gebeuren, zijn afschuw voor de onmenselijkheden aan boord van het vlot en het vreselijke lot van de drenkelingen, en tegelijkertijd zijn kritiek op degenen die hiervoor verantwoordelijk waren.

Géricault blijkt geroerd door de vreselijke gebeurtenissen van zijn tijd en werpt ons die  voor de voeten door ons van nabij te confronteren met de tragische kanten van het menselijk bestaan. Dat hij de gruwel tot in de kleinste details zo natuurgetrouw mogelijk wilde weergeven, bewijst het volgende verhaal dat over hem de ronde doet. Toen hij door de val van zijn paard verschrikkelijke pijnen leed, diende hij aan zijn rug te worden geopereerd. Hij stond erop deze operatie bij volle bewustzijn mee te maken en in een spiegel alle details van dit snijwerk te volgen. Omdat zijn idee voor vivisectie van veroordeelden niet direct ingang vond, besliste hij dan maar om zijn eigen lichaam te gebruiken.

Prachtig is zijn portret van De Kleptomaan, eigendom van het Gentse museum. Het werk maakte deel uit een reeks van tien, waarvan er ondertussen vijf verdwenen zijn. Het is nog nooit gelukt om de vijf overgebleven werken samen te brengen. Het Grand Palais slaagde daar niet in bij de retrospectieve van Géricault in 1991, en ook Gent is het nu niet gelukt. Toch moet gezegd dat dit hiaat op wonderlijke wijze werd opgevuld door de presentatie van de werken van Marlene Dumas, de hedendaagse kunstenares die zich laat inspireren door Géricault.

Je kan de tentoonstelling nog tot en met 25 mei bezoeken in het Museum voor Schone Kunsten in Gent.

De Vrienden van het KMSKA organiseren geregeld culturele uitstappen. Bekijk het programma van de komende weken op de museumwebsite.

Wie is Bertha van Antwerpen?

Een portret van de legendarische Asta Nielsen als tragische lichtekooi op jaren door Pyke Koch

In de expo Onwaarschijnlijk echt. Magisch realisme en nieuwe zakelijkheid brengt Herwig Todts neorealistische werken uit de collecties van het Gemeentemuseum Den Haag, Museum Plantin-Moretus/Prentenkabinet en het KMSKA samen. Op de museumblog gaat hij geregeld in op een aspect van de tentoonstelling. Starten doet hij met een zoektocht naar de ware identiteit van Bertha van Antwerpen, de intrigerende vrouw die het campagnebeeld van de expo siert. 

Campagnebeeld Onwaarschijnlijk echt. Magisch realisme en nieuwe zakelijkheid

Campagnebeeld Onwaarschijnlijk echt. Magisch realisme en nieuwe zakelijkheid

Neem een schilder als Pijke Koch, ongetwijfeld één der intelligentste van ons land (…) maar voor de rest interesseert mij Koch als schilder en niet als intelligent mensch. Zijn kennis van het “coeur humain”, zoals die uit Bertha van Antwerpen tot den beschouwer spreekt, kan mij maar een bitter beetje schelen, als ik de picturale qualiteiten van dit doek onderga…

Menno ter Braak, Het Schrijverspalet, 1932

Asta Nielsen (Kopenhagen 1881 – Frederiksburg 1972) wordt beschouwd als de allereerste grote filmster. Ze werkte aanvankelijk als actrice in het theater in Kopenhagen. Inmiddels waren – min of meer onafhankelijk van elkaar – omstreeks 1893/95 in New York, Chicago, Berlijn en Parijs uitvinders bezig met het ontwikkelen van toestellen om  bewegende filmbeelden te projecteren. Het meest geschikte toestel was de cinématographe van Auguste en Louis Lumière. In 1895 werden de eerste betalende filmvertoningen georganiseerd. Spoedig begon her en der in Europa en Amerika de productie van korte, stomme speelfilms: komedies, tragedies, avonturenfilms en animatiefilms van 10 à 15 minuten, zonder klank. Vanaf 1910 werden ook lange, “avondvullende” speelfilms van meer dan 60 minuten gemaakt. Asta Nielsen ontmoette filmregisseur Peter Urban Gadd (een neef van Paul Gauguin, die met een Deense gehuwd was). Samen draaiden ze van 1909 tot 1915 tal van langspeelfilms. Afgrunden (1910), haar debuut, verwekte meteen schandaal omwille van de vaak gecensureerde, onverhuld sensuele dansscène.


“Die Asta”, wereldwijd een ster, geliefd door het grote publiek en bezongen door Guillaume Appolinaire en de artistieke avant-garde. Ook in Antwerpen telde zij met o.a. Paul Joostens, Paul Van Ostaijen en Frank Van den Wijngaert (vriend van Henry Van Straten) heel wat fans.

Pyke Koch maakte drie keer gebruik van Asta Nielsen in een gedaante die duidelijk ontleend was aan haar verschijning in haar laatste film Dirnentragödie. Daarin spelen zij en de jonge Greta Garbo prostituees. Asta is Auguste, een oudere, illusieloze straatmadelief. Koch heeft het portret van Asta op twee verschillende foto’s gebaseerd. Uit de ene foto heeft hij haar hoofd met het kleine hoedje met grote veren gekozen. Het andere beeld komt uit de film en heeft Koch gebruikt voor de kleding. In het vroege portret lijkt Asta een jonge vrouw en contrasteert de rode bloem met haar surreële groene huidskleur. Als Bertha van Antwerpen heeft Asta Nielsen een verouderingsproces ondergaan, en heeft Koch de verhoudingen van het gelaat op een wat karikaturale wijze veranderd: de ogen lijken groter dan ooit, de ruimte tussen de neus en de mond is onwaarschijnlijk groot.

De straatmadelieven in het leven van Koch

Dat Bertha van Antwerpen een prostituee voorstelt, wordt – voor zover bekend – door niemand betwist. Pyke Kochs goede vriend, de dichter Martinus Nijhoff, maakte voor het huwelijk (!) van Pyke Koch in 1934 volgend gelegenheidsgedicht:

Op een hoek van een straat / Een straat in de stad / Tot al wie daar gaat / ‘Kom hier’ roep ik, ‘schat’.
En de veer op mijn hoed / En mijn bloem van fluweel / En mijn zachte groet / Vermag veel, vermag veel.
Twaalf is een dozijn – Er nadert een man / Die geholpen wil zijn / En ik helpen niet kan.
(…)
Ik loop met hem mee
(…)
Maar dan onverwacht / Zooals tooveren gaat, / Ben ik thuisgebracht / Ik sta in mijn straat.
Een blind links en rechts, / Een muur met een goot, / Het is ik, die heks, / Het is ik, levensgroot.
O mijn oud, oud hoofd / Is zoo oud omdat / Het den hemel belooft / En de hel bevat.
Een vrouw heeft een zoon / En die zoon (…) / En sterft in haar schoot.
(…)
Bertha, Bertha dan, Is al wat hij zegt / Terwijl hij zijn wang / Aan mijn blouse legt.

 Martinus Nijhoff, Verzamelde Gedichten (Amsterdam 2001)

Misschien inspireerde de film Dirnentragödie Koch tot het maken van dit schilderij. Maar straatmadelieven spelen in zijn vroege oeuvre ook al een belangrijke rol. Pieter Christian Koch woonde tijdens zijn jeugd in de Nijmeegse “hoerenstraat”: de Pykestraat. Vermoedelijk ontleende hij daaraan zijn artiestennaam. Omstreeks 1929 had Koch een relatie met een 48 jaar oude vrouw. Zelf was hij 28. Beide getallen spelen een ondergeschikte rol in het schilderij Achterbuurtrapsodie (Stedelijk Museum Amsterdam) waarin eveneens wordt gezinspeeld op prostitutie.  Zou het opvallende huisnummer “12” in Pyke Kochs portret van Bertha van Antwerpen – voor een muur met regenpijp en tussen twee houten vensterluiken – een betekenis hebben?

Pyke Koch, Bertha van Antwerpen (detail)

Pyke Koch, Bertha van Antwerpen (detail)

Blijft eveneens de intrigerende vraag waarom Asta Nielsen hier, in de gedaante van een “verlepte straatmadelief”,  Bertha van Antwerpen heet. Waar komt die naam vandaan? Gaat het om Bertrade, burggravin van Antwerpen, echtgenote van de 13de eeuwse Brabantse edelman Arnold IV van Diest?

MEER LEZEN: Bjorn GABRIELS, Asta: kinoster en verlepte hoer

In dialoog over Ensor

Onlangs legde restaurator Karen Bonne, die frequent bijdragen levert aan het Ensor Research Project van het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen, enkele van haar onderzoekresultaten voor aan een groep museumrestauratoren en kunsthistorici in het externe depot van het KMSKA. Daarmee willen de medewerkers van het project de dialoog rond de onderzoeksresultaten op gang brengen en collega’s uit het veld om hun visie en feedback vragen.

Restaurator Karen Bonne legt haar onderzoeksresultaten voor aan een team van museumrestauratoren en kunsthistorici

Restaurator Karen Bonne legt haar onderzoeksresultaten voor aan een team van museumrestauratoren en kunsthistorici

De Ensorcollectie van het KMSKA geeft een mooi overzicht van het schildersoeuvre van de kunstenaar. Het museum bezit 38 schilderijen. Voor bijna al die schilderijen onderzocht Bonne het materiaal dat Ensor gebruikte en de technieken die hij daarbij hanteerde. Die vergeleek ze vervolgens met die van tijdsgenoten en kunstenaarshandleidingen uit die periode. Eerder publiceerde ze artikels over de krastechniek van Ensor, over zijn palet, en over de vingerafdrukken die terug te vinden zijn in zijn werk.

Restauratie van de Verbazing

Dergelijke onderzoeksresultaten geven mooi weer hoe Ensor gedurende de verschillende stadia van zijn carrière te werk ging. Deze informatie is noodzakelijk bij de bewaring en de restauratie van zijn schilderijen.

In 2012 startte het museum met de restauratie van Ensors topwerk Verbazing van het masker Wouse. In een nieuw artikel voor het Ensor Research Project vertelt restaurator Laure Mortiaux hoe ook deze restauratie geleid heeft tot een beter begrip van de schilder, de materiële geschiedenis van het werk in kwestie en de behandelingen die het schilderij intussen ondergaan heeft

 

Onwaarschijnlijk echt

Vanaf morgen (10/05) kan je in de Koningin Fabiolazaal terecht voor de tentoonstelling Onwaarschijnlijk echt. Magisch realisme en nieuwe zakelijkheid in de exporeeks De Modernen.

Campagnebeeld Onwaarschijnlijk echt. Magisch realisme en nieuwe zakelijkheid

Campagnebeeld Onwaarschijnlijk echt. Magisch realisme en nieuwe zakelijkheid

Met deze tentoonstelling brengt curator Herwig Todts neorealistisch werk uit de collecties het Gemeentemuseum Den Haag, Museum Plantin-Moretus/Prentenkabinet en het KMSKA samen. Maar er is meer. Het magisch realisme en de nieuwe zakelijkheid uitten zich immers niet alleen als stroming in de schilderkunst, maar ook in de wereld van de (jazz)muziek, architectuur, film en literatuur.

De komende maanden zal Herwig Todts op de museumblog geregeld dieper ingaan op de thema’s die in de expo aan bod komen. Hij zal daarbij o.a. ook verbanden leggen met het neorealisme in tal van andere artistieke domeinen.

Tot slot legt hij ook een audiovisuele afspeellijst aan op Youtube en een soundtrack bij de tentoonstelling op Spotify.